Het gezwel dat het hart heeft aangetast dient verwijderd worden; Japan moet eigen falen inzien

Opeenvolgende Japanse regeringen is het niet gelukt verantwoord om te gaan met de erfenis van de hyperspeculatie eind jaren tachtig. Het land verwacht ten prooi te vallen aan een langdurige recessie. Hoog tijd om af te rekenen met kruiwagens en vriendjespolitiek, stellen Roger Buckley en William Horsley.

Nu de yen blijft dalen en het nieuwe kabinet van premier Keizo Obuchi geconfronteerd wordt met een financiële crisis waarvan het einde nog niet in zicht is, breekt voor Japan het einde van een tijdperk aan. De halve eeuw van wederopbouw en economische groei die volgde op de nederlaag, overgave en bezetting in augustus 1945, is omgeslagen in moedeloosheid en algemene teleurstelling.

Doordat het opeenvolgende Japanse regeringen niet gelukt is greep te krijgen op de rampzalige erfenis van de hyperspeculatie uit de tijd van de windhandel, eind jaren tachtig, is Japan in een recessie beland. De malaise in de tweede economie ter wereld jaagt de ene schokgolf na de andere door de regio, die het toch al moeilijk heeft. De uitlopers daarvan worden ook in het Westen gevoeld.

De uitvoer van de Verenigde Staten naar Azië daalt sterk, en men begint meer en meer te vrezen dat de toename van de import uit Azië, die door devaluaties in de regio buitengewoon concurrerend wordt, weldra zal leiden tot ernstig banenverlies in de Amerikaanse industrie.

In Europa hebben de moeilijkheden in Azië ertoe geleid dat in de vijftien landen van de Europese Unie de verwachte groeicijfers voor 1998 omlaag zijn bijgesteld. En het ergste moet nog komen.

Er is een reëel gevaar dat Japan en andere Oost-Aziatische landen hun investeringen in Europa zullen verminderen. Het afblazen van de grootste investering die ooit van buitenaf in Europa zou zijn gedaan - een halfgeleiderfabriek van de Zuid-Koreaanse LG-groep in Zuid-Wales - wordt geweten aan een gebrek aan contanten. Ook de plannen van Siemens voor een soortgelijke fabriek in het noordoosten van Engeland zijn in rook opgegaan, wat wordt verklaard uit de 'suïcidaal lage' prijzen van concurrerende producenten langs de westrand van de Grote Oceaan.

In Japan wordt officieel een 'langdurige recessie' verwacht, en dat weerspiegelt de vrees van de Wereldbank voor een 'zeer langdurige depressie' in Oost-Azië. Kwetsbare aandelen- en valutamarkten zijn de afgelopen dagen verontrustend sterk gedaald. Overal ter wereld zien financiële analisten met zorg het toenemende gevaar van nieuwe devaluaties om de concurrentiepositie te verbeteren, en van handelspraktijken die alle problemen naar buurlanden afschuiven.

Het kabinet-Obuchi, dat nog geen maand in functie is, dreigt door een vloedgolf van pessimisme alweer te worden weggevaagd. Van het vertrouwen van het Japanse volk in zijn politieke leiders is niets meer over.

Hoe heeft Japan zo diep in de problemen kunnen komen? De nauw met elkaar verweven instanties die in de jaren van immense bloei het Japanse wonder tot stand hebben gebracht, de ambtelijke elite, de grote zakenwereld en de conservatieve politici, maken thans zelf deel uit van het probleem. Nog altijd beschermt deze ijzeren driehoek van machtigen zijn eigen belangen en dwarsboomt zo de dringend noodzakelijke oplossingen. Doordat zij weigeren zich aan te passen, zijn zij direct verantwoordelijk voor de vicieuze cirkel van deflatie en daling van de waarde van bedrijven die nu de welvaart van de gehele wereld bedreigt.

Het is belangrijk dat de dwalingen uit het verleden eerlijk worden erkend, want dat kan helpen de juiste oplossingen te vinden. In het eerste tijdperk na de oorlog was Japan het toneel van een bitter conflict tussen het door de vakbonden gesteunde communisme en de ambtenarij, die zich in hoofdzaak economische doelen stelde, die zij met sturing door de staat dacht te bereiken. De ambtenaren wonnen deze strijd, dankzij het beleid van de Amerikaanse bezetters, die van Japan een stabiele, welvarende bondgenoot wilden maken in het tijdens de Koude Oorlog ideologisch verdeelde Azië.

Een kernpunt in de plannen van de bureaucraten voor een nieuw Japan was de macht over en de mobilisatie van de financiële middelen van het land. Een door de staat gesteund netwerk van industrie-, handels- en spaarbanken stond er borg voor dat de fondsen allereerst terechtkwamen bij speciaal geselecteerde takken van industrie. Grootscheepse verstedelijking en intensief onderwijs leverden de goed geschoolde, meegaande beroepsbevolking, wier prestaties spreekwoordelijk zijn geworden.

In het tweede tijdperk na de oorlog maakten ambitieuze politici van de regerende Liberaal Democratische Partij, zoals Kakuei Tanaka, die begin jaren zeventig premier was, gebruik van deze nationale kwaliteiten om Japan te maken tot de 'fabriek van de wereld' en zichzelf te verrijken. In de jaren tachtig, toen Japan zich ook nog eens de titel 'bankier van de wereld' verwierf, waren andere landen het dankbaar voor het kapitaal en de know how die het Land van de Rijzende Yen de wereld in zond.

Terwijl Japanse politici en effectenmakelaars samenspanden om de aandelenkoersen op te drijven en zonder risico winst te maken, sloegen grote productiebedrijven gretig aan het speculeren om reusachtige extra winsten in de wacht te slepen, en werden banken er door het vriendjesnetwerk toe aangezet krediet te verlenen aan steeds twijfelachtiger cliënten.

Het derde tijdperk van het naoorlogse Japan begon in 1990 abrupt met een val van de aandelenkoersen tot de helft van hun opgeklopte waarde. De veilheid van de politici was aan het licht gekomen bij het Recruit-schandaal rond gunsten die werden verleend in ruil voor aandelen.

Zelfs de eens zo gerespecteerde Japanse ambtenaren werden om hun inhaligheid aan de schandpaal genageld, toen bleek dat zij zich hadden laten fêteren door de bankiers op wie zij geacht werden toezicht te houden. Ten slotte ging een aantal financiële instellingen op de fles, zoals het effectenkantoor Yamaichi - niet door de strenge voorschriften, maar door eigen onbekwaamheid.

Niet bekend

Met plannen voor overheidsingrijpen op grote schaal via een 'overbruggingsbank' hoopt men de schade te kunnen beperken. Daarmee steekt echter meteen de verleiding weer de kop op om banken en ondernemingen die failliet behoren te gaan, overeind te houden. Er zal ingrijpend gesneden moeten worden om het gezwel te verwijderen dat het hart van de Japanse economie heeft aangetast, en zo de arrogantie van de macht te corrigeren.

Werkelijke openheid en een harde sanering zouden natuurlijk nieuwe ongemakken, werkloosheidsrecords en op korte termijn een nieuwe golf van faillissementen veroorzaken, maar als Japan deze kans om af te rekenen met het vastgeroeste stelsel van kruiwagens en vriendjespolitiek niet aangrijpt, zal het vierde tijdperk het land noodlottig worden.