Een dagje naar Rottum

In de kwelders aan de noordkant van Groningen houdt zich Noordpolderzijl verborgen, het kleinste getijdenhaventje van Nederland. Vlak voor de hoge dijk ligt het statige café 't Zielhoes, waar eens het waterschap van de Noordpolder vergaderde. Ik ga aan boord met een groep wadlopers uit Pieterburen, die drie jaar hebben gewacht op toestemming om Rottumeroog te mogen bezoeken. Gemiddeld duurt het twee jaar voor er op de wachtlijst van Staatsbosbeheer, dat de excursies organiseert, een plaatsje vrij komt. Want Rottumerplaat en Rottumeroog zijn verboden gebied. In de zomer worden zij slechts bewaakt door twee vogelwachters per eiland. Alleen naar Oog vinden elk jaar zo'n 25 excursies plaats. Het vogeleiland Plaat, waar Grote sterns (meer dan 2000 broedparen) en sinds kort lepelaars broeden, wordt volstrekt met rust gelaten.

In 1991 deelde Rijkswaterstaat mee dat het waddeneilandje Rottumeroog aan zijn lot zou worden overgelaten. Voortaan moest de natuur haar gang maar gaan. Het 'wandelende' eilandje zou vanzelf in de Westereems verdwijnen.

Met zijn bezettingsactie van Rottumeroog wist Hendrik Toxopeus, de zoon van de laatste strandvoogd, de aandacht op dit waddeneilandje te vestigen. Hij leidde de pers rond en haalde herinneringen op aan de tijd toen zijn vader - tot aan 1965 - de scepter zwaaide. “Je kunt dit stukje natuur toch niet zomaar laten verdwijnen?” hield Toxopeus de journalisten voor.

Jan Wolkers en Jan Gerhard Toonder vielen hem bij. Wolkers noemde Rottumerplaat, waar hij een tijdje had gekampeerd, een 'flonkerende gesp in onze Waddengordel van smaragd'. Jan Gerhard, de zoon van Marten Toonder sr., die als knaap onder de voogd van Rottum had gewerkt, vond het geen goed idee om de natuur haar gang te laten gaan: “Met dezelfde redenering was Zeeland al lang één grote modderbrij en Hilversum een badplaats.” In de memoires van Toonder sr. ('De oudste ochtend') blijkt dat de voogd altijd overhoop lag met de hoge heren uit Den Haag. “Zij van Waterstaat zijn doof en ziende blind”, luidde zijn verwijt. De heren weigerden het onheil af te wenden door op het westelijke strand strekdammen op te werpen.

De actie van Toxopeus had tot gevolg dat er een Vereniging van Vrienden werd opgericht, die zich het lot van Oog aantrok. Nu voeren vrijwilligers er enkele weken per jaar onderhoudswerk uit. Dat gebeurt niet aan de nog steeds bedreigde westkant, maar aan de oostkant. Daarbij steekt Rijkswaterstaat overigens een helpende hand toe.

Na ruim een uur varen is het op palen staande vogelwachtershuisje op Plaat duidelijk te zien. Op een zandbank in het Schild liggen tientallen zeehonden te zonnen, in alle schakeringen van wit tot donkergrijs. Drie uur na vertrek lopen we over een zandbank naar Oog. Tussen lage duintjes tekent zich het voormalige voogdhuis af. Een gietijzeren baken staat ernaast. Meer naar het oosten ligt een tweede huisje, dat in het broedseizoen de vogelwachters onderdak verschaft.

Het Duitse Borkum - een witte stad in zee - is verrassend dichtbij. Achter de zeereep gloeit het paars van de zeeaster en de lamsoor. “Een Hof van Eden”, fluistert een wadloper.

In de kwelder houdt boswachter Bert Corté een zakelijk verhaal over rijshout, zandvang en helm. “Waterstaat hoeft niks aan Plaat te doen”, zegt hij, “want die groeit als kool.” En ook met Oog gaat het goed, ondanks recente berichten in de pers dat het in oostelijke richting wegglijdt in de vaargeul van de Eems. Het eiland maakt een veilige draai naar het zuiden.

Bij het oude voogdhuis is te zien welke schade de zoutwatermuil van de zee heeft aangericht. De afgelopen jaren zijn er grote stukken duin weggeslagen. Het huis ligt griezelig dicht bij de rand; twee schuren liggen in stukken op het strand. Nog één flinke noordwesterstorm en ook dit bouwwerk zal door de zee geveld zijn. “We kunnen het eiland nu eenmaal niet in beton gieten”, zegt Corté.

Het is maar goed dat de oude voogd uit de jeugd van Marten Toonder sr. dit schouwspel niet meer hoeft te zien. “De heren van Waterstaat laten hun eigen land verzwelgen”, donderde hij eens, “en naar mij, hun strandvoogd, wordt niet geluisterd.”