De Haagse Lewinsky's

Op 28 juli 1959 was minister van Defensie Sidney van den Bergh in de Eerste Kamer aanwezig om zijn wetsvoorstel over een wijziging in de dienstplichtwet te verdedigen. Terwijl een lid van de oppositie aan het woord was, kreeg hij van een bode een briefje van het ministerie van Buitenlandse Zaken onder zijn neus geschoven. Daarin werd melding gemaakt van een bericht van Amerikaanse persbureaus dat die ochtend was overgenomen door de Franse kranten France Soir en Paris Presse. De kern van dat verhaal: Van den Bergh, weduwnaar, werd door een Amerikaan beschuldigd van overspel met zijn vrouw. Twee dagen later, op 30 juli nam de VVD-er Van den Bergh ontslag als minister. Hem was gebleken dat hij niet langer het vertrouwen genoot van zijn partijleider Oud.

Zestien jaar later schreef Van den Bergh in zijn memoires: “Een dergelijk iets als mij is overkomen zou nu onbestaanbaar zijn”. In 1975 wel, nu ook waarschijnlijk, maar hoe lang nog? Niet lang meer als het aan het CDA Tweede-Kamerlid Hans Hillen ligt. Op het Binnenhof is vreemd gaan “schering en inslag”, vertrouwde hij het feministisch maandblad Opzij toe. Voor de media is hier een bijzondere taak weggelegd, vindt de oud-journalist. Er mag best wat meer over de Haagse matras geschreven worden. “In het algemeen maar ook met naam en toenaam”, aldus Hillen. Dat is volgens hem geen roddelen, degenen die het betreft vragen er zelf om. Want: “Mensen die op dit vlak gemakkelijk te verleiden zijn, zijn dat misschien ook op ander gebied. Die zijn niet standvastig.”

Nog even dus en de eerste koppen in de bladen zullen verschijnen. Wie zijn het, de pitspoezen van Den Haag? Met welke politici doen ze het, en waar? Kortom, Amerikaanse toestanden met even zo grote Amerikaanse opwinding. Breaking news! Kamerlid met vreemde vrouw gesignaleerd. Het is nog slechts een kwestie van tijd. Maar waarom die publiciteit? Omdat de standvastigheid van politici in het geding is, zoals Hillen vroom stelt? De echte reden is naar valt te vrezen een stuk banaler. Een vette roddel doet het altijd goed. Groot was vorige week de opwinding in de Tweede Kamer over het interview van Hillen. Het kon absoluut niet wat hij had gezegd, luidde de communis opinio. Maar wie bedoelde hij nu precies, was al snel de volgende vraag.

Journalisten, hoeders van de publieke zaak of verspreiders van het goed 'scorende' ranzige verhaal? Zoals altijd is het een kwestie van niet omschreven grenzen die elk medium voor zichzelf bepaalt. Het bed en het bureau van de politicus zijn in de Nederlandse verslaggeving nog gescheiden werelden. Maar de grens is aan het vervagen. Met de verschuiving van ideologie naar imagologie gaat ook in Nederland de politicus als persoon een steeds belangrijker rol in de berichtgeving gaan spelen. Ad Melkert is sinds kort voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer maar de kijkers van het NCRV-televisieprogramma Het Reces weten sinds vorige week dat deze nieuwe PvdA-coryfee ook heel goed is in het bakken van olijfbrood. Ze zagen Melkert uitvoerig aan het werk in zijn Almeerse keuken.

Van de keuken naar de slaapkamer is niet zo'n grote stap, en al helemaal niet als het, zoals Hillen suggereert, politiek functioneel is. Maar wie zich 'in het belang van de publieke zaak' met de de persoonlijke levenswandel van politici gaat inlaten komt al heel snel in de beruchte grijze zône terecht. Zodra het privé-gedrag het functioneren van de politicus gaat beïnvloeden, is publiciteit gerechtvaardigd. Maar is het wel aan de pers om dat te bepalen, cq kàn de pers dat bepalen? De discussie in de Verenigde Staten over de publiciteit rond Clinton en Lewinsky maakt duidelijk dat een eensluidend antwoord niet bestaat. Vroeger, bij voorbeeld ten tijde van Sidney van den Bergh was het argument altijd dat mensen die geen onberispelijk privé-gedrag hadden, chantabel waren. Maar dan moet er wel unanimiteit bestaan over het begrip onberispelijk. Getuige de polls in de Verenigde Staten naar het oordeel over het gedrag van Clinton, wordt daar zeer divers over gedacht. Dus is weer de vraag: wanneer wordt persoonlijke levenswandel politiek functioneel?

Ooit schreef deze krant met naam en toenaam over de relatie tussen een minister en zijn persvoorlichtster. De verhouding was op het Binnenhof bij weinigen onbekend, maar desondanks altijd buiten de publiciteit gebleven. In een uitvoerig portret over deze minister werd er alsnog melding van gemaakt. De reden was dat de hiërarchisch ingestelde ambtelijke top van het departement zich enorm stoorde aan de vermenging van zakelijk en privé-contact tussen de bewindsman en één van hun veel lager ingeschaalde collega's. De werkverhouding tussen de ambtelijke top en de minister was hierdoor verstoord, wat de reden was het feit te vermelden.

De Volkskrant doorbrak een aantal jaren geleden de ongeschreven Haagse code door melding te maken van de stukgelopen buitenechtelijke amoureuze verhouding tussen twee partijgenoten die wellicht een verklaring was voor de politieke breuk die later tussen hen tweeën optrad. Hier ligt het al weer moeilijker, want het was een veronderstelling, geen feit. Toch publiceren?

In het dagblad Trouw van gisteren probeert directeur Kees Klop van het wetenschappelijk bureau van het CDA de op moraal gestoelde opvattingen van Hillen iets van een legalistisch sausje mee te geven. “De norm van echtelijke trouw is niet een private christelijke norm, dat óók, maar een publieke norm die op democratische wijze in ons rechtsbestel is opgenomen. Zij wordt voorgeschreven door de wet.”

En, zo gaat hij verder: “Zelfs in de meest minimale variant van de publieke moraal, het liberalisme geldt dat mensen in hun privé-leven vrij moeten zijn om te leven zoals zij zelf willen, mits zij de wet daarbij niet overtreden.” Vandaar dat volgens Klop het aan de kaak stellen van buitenechtelijke relaties van politici volkomen gerechtvaardigd is.

Maar hoe dan? Klop wil geen 'Amerikaanse toestanden' en stelt daarom “de koninklijke weg” voor die inhoudt dat politici elkaar “onder vier ogen aanspreken” over hun escapades. Ja, ja, en dat in de Piranha-vijver die Het Binnenhof heet. 'Collega, mag ik u in alle vertrouwen even aanspreken over uw slippertjes'.

Of het nu op de manier van Hillen gebeurt, dan wel volgens de methode Klop, in alle gevallen dreigt een heilloze weg. Het hellend vlak is altijd aanwezig en is dat niet waar het CDA, als het om andere zaken gaat, zo bevreesd voor is?