Dansende overheid belooft de kunst een betere toekomst

Kunst is vaak elitair. Rick van der Ploeg vindt dat met onconventionele middelen een brug moet worden geslagen tussen elitekunst en massacultuur. Het beleid van de overheid moet de kwaliteitseisen niet uit het oog verliezen, maar ook het contact met het publiek niet verliezen.

Wat is van groter invloed op de Nederlandse cultuur: Ikea, Hennes & Mauritz, de Free Record Shop, Libris en The Music Factory óf het Concertgebouw, Kröller-Müller, De Nederlandse Opera en de stadsschouwburg? De 'New Labour'-goeroe Geoff Mulgan heeft een patent op dit soort vragen. De meeste mensen weten het antwoord al en tonen dat in de kleren die ze dragen, in de meubels die ze kopen, in de muziek die ze beluisteren. De opkomst van nieuwe trends, technieken en stijlen - of het nu gaat om bungee-jumpen, Zen en gabbers - het heeft allemaal weinig te maken met de traditionele noties van kunst en cultuur. Er dreigt een tweedeling te ontstaan tussen de gesubsidieerde wereld van de traditionele kunst en cultuur voor de elite en de vaak commerciële cultuur voor de massa. Maar kunst en cultuur zijn te belangrijk om alleen aan de elite over te laten.

De overheid subsidieert wel de opvoering van Götterdämmerung in het Muziektheater, maar niet het concert van de Rolling Stones op het Malieveld. Nou kunnen de Rolling Stones het goed zonder subsidie stellen, maar zonder subsidie wordt er geen Götterdämmerung opgevoerd. Want op het Malieveld kunnen tienduizenden mensen en in het Muziektheater maar 1.600. Is het niet vreemd dat een bezoeker van de opera gemiddeld 70 gulden betaalt voor een kaartje dat 400 gulden kost, terwijl de bezoeker van de Rolling Stones het volle pond van 85 gulden betaalt? Waarom subsidieert de overheid het operakaartje met 330 gulden? Terwijl er meer mensen heen willen dan erin kunnen. En terwijl in het Muziektheater veel mensen zitten van wie je vermoedt dat ze meer kunnen betalen.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft uitgerekend dat mensen met een hogere opleiding ruim drie keer zoveel naar het beroepstoneel gaan als mensen met alleen lager beroepsonderwijs. Dat was in 1979. In 1991 was het al vijf keer zoveel. Bij het bezoek aan klassieke concerten is het verschil al bijna opgelopen tot een factor tien. Nou komen er natuurlijk steeds meer hoogopgeleiden. Maar zelfs als je daarmee rekening houdt, wordt de gesubsidieerde cultuur steeds elitairder. De overgrote meerderheid van de bevolking gaat nooit naar een klassiek concert, een balletvoorstelling of de opera. Cultuurvormen die veel mensen aanspreken, worden het minst ondersteund. Mode, design, popmuziek, jazz, musicals, architectuur, film, literatuur worden niet of relatief weinig ondersteund, terwijl ze juist een breed publiek aanspreken. Vaak is subsidie ook helemaal niet nodig, omdat de markt haar werk doet. Soms kun je met relatief weinig geld juist veel goede dingen doen, zoals bijvoorbeeld in het architectuurbeleid. Hoewel de reproduceerbaarheid en dus het collectieve karakter van de podiumkunsten relatief gering is, worden ze zwaar gesubsidieerd. Schept dat niet een morele verplichting voor de podiumkunsten om beter te communiceren en nieuwe kanalen naar het publiek te verkennen?

Neem de muziek, de grootste uitgavenpost op de kunstbegroting: 175 miljoen gulden. Maar liefst 84 procent daarvan gaat naar de symfonie-orkesten en naar de opera. Deze spelen veel muziek die al 100 tot 200 jaar oud is. Als een muziekliefhebber uit de negentiende eeuw in staat zou zijn onze concertzalen te bezoeken, zou hij niet eens in de gaten hebben in een andere eeuw te zijn beland. Pas als hij naar buiten gaat, zal hij ontdekken dat het publiek in de twintigste eeuw op muziekgebied een totaal andere weg is ingeslagen: jazz, musical, rock & roll, pop, hardrock, punk, soul, blues, house, raï, rhythm & blues, rap, hip-hop, country. Het meeste daarvan vindt hij buiten de gesubsidieerde circuits. Het is dus geen wonder dat jongeren zich steeds meer van de klassieke muziek afkeren. Zij hebben niet altijd een boodschap aan wat zij beschouwen als ouweknarrenmuziek. Zij hebben hun eigen en eigentijdse muziek. De tweedeling in de cultuur loopt behalve langs de as van de opleiding, ook langs de as van de leeftijd. Jongeren keren zich steeds verder af van de traditionele kunsten, terwijl ouderen juist weer meer gaan. Nu komen er steeds meer ouderen. Ik vind het echter geen geruststellende gedachte als het kunstpubliek almaar vergrijst.

Wat legitimeert deze scheve verhouding, deze gesubsidieerde exclusiviteit? Wie bewaakt de grenzen van wat gesubsidieerd mag worden? Dit lijken misschien onbescheiden vragen. Vragen zijn echter nooit onbescheiden, hoogstens de antwoorden, zoals Oscar Wilde zei. Water is onmisbaar voor het leven, maar heeft een betrekkelijk lage prijs, die in geen verhouding staat tot de waarde ervan. Een diamant is buitengewoon kostbaar, terwijl de waarde ervan niet veel meer is dan a girl's best friend. De Franse socioloog Bourdieu stelt dat veel mensen kunst en cultuur vooral geschikt vinden als statussymbool, om ermee te pronken en je te onderscheiden van anderen: cultuur als diamant. Misschien is de waarde van kunst en cultuur echter veel belangrijker dan uit de prijs en het gebruik ervan kan worden opgemaakt: cultuur als water.

We moeten van een aristocracy of culture naar een democracy of culture. Betekent democratisering van de cultuur dat de straat aan de macht komt? Nee. De politicus is niet de buikspreker van de kiezers, net zomin als de kunstenaar de buikspreker is van het publiek. Een goede politicus vindt steun bij de kiezers voor zijn opvattingen, ook als deze in eerste aanleg niet gedeeld worden door de kiezers. Zo ook probeert de kunstenaar zijn publiek niet te behagen, maar te overtuigen.

Om een brug te slaan tussen elitekunst en massacultuur is innovatie cruciaal. Innovatie zorgt voor dynamiek in economie en cultuur. Het gaat om onconventionele wegen om verbindingen te leggen tussen de traditionele en de populaire cultuur, naar een verbreding van het aanbod, het zoeken naar nieuwe distributiekanalen om daarmee nieuwe publieksgroepen te bereiken.

Ik ben geboren toen de televisie haar intrede deed. Daarvoor waren er alleen film en radio. Toen kwamen televisie, platenspeler, bandrecorder, videorecorder, cd-speler, cd-rom en Internet. De voorspelling dat er in elk huishouden een computer zou komen te staan, klonk twintig jaar geleden utopisch en Orwelliaans in de oren. Inmiddels kijkt niemand er van op wanneer je je woning aansluit op de rest van de wereld. Dat alles biedt reproduceerbare kunst ongekende mogelijkheden. Theaters zijn overdekte pleinen. De nieuwe media (en de oude trouwens ook) bieden echter de open pleinen waar het grote publiek zich ophoudt. Zij zijn relatief goedkoop en hebben een lage drempel.

Er gaan meer mensen naar de bioscoop dan naar de hele sector van de podiumkunsten, gesubsidieerd en ongesubsidieerd. Het aantal mensen dat speelfilms via de televisie of de video ziet, is nog vele malen groter dan het bioscoopbezoek. De groep die maandelijks klassieke muziek via radio, televisie of cd's beluistert, is volgens het SCP vijftig maal groter dan de groep die maandelijks wel eens een klassiek concert bezoekt. Het brede publiek heeft de oude en nieuwe media aanvaard en de traditionele podia achter zich gelaten. De media zijn de nieuwe cultuurpodia waarop de kunsten zich vaker moeten laten zien.

Kunstenaars moeten hun werk in de zalen voor een live publiek steeds vaker afwisselen met werk voor een ander en groter publiek dat zij via radio, televisie, cd, video of Internet bereiken. Kunstenaars die zich op een goede manier manifesteren in nieuwe media en daarmee een groter publiek weten aan te boren, verdienen een extra steun in de rug. Er is meer ruimte voor jonge kunstenaars nodig. Het kunstbeleid mag niet verstenen. Jonge kunstenaars verdienen steun, omdat ze dichter bij de jongerencultuur staan. Zij zijn de postillons d'amour tussen de kunst en de jongerencultuur.

Vermeende objectieve kwaliteit wordt in de beoordeling van artistieke prestaties een steeds moeilijker te hanteren en te verdedigen uitgangspunt voor subsidietoekenning. Kwaliteit, als norm in handen van de deskundigen die het kunstbeleid moeten legitimeren, is bij uitstek een ideologisch bepaalde term geworden. Dan hangt het maar van de ideologie af wat voor kunst het publiek op zijn bord krijgt. Die onuitgesproken ideologie moet meer ter verantwoording worden geroepen. Ook mag het niet zo zijn dat alleen die ideologie in het kunstbeleid aan bod komt.

Het pleidooi voor een grotere 'publieke factor' in het kunstbeleid dient niet uitsluitend te worden opgevat vanuit een markteconomisch perspectief. Er liggen in een beter gebruik van het markteconomische instrumentarium beslist kansen voor een groter publieksbereik en een groter maatschappelijk en financieel draagvlak voor de kunst. Maar de genoemde publieke factor moet ook tot uitdrukking komen, niet in de laatste plaats bij de kunstenaars en kunstinstellingen zelf, in termen van 'cultureel ondernemerschap'. Dat vereist van de kunst een bepaalde mentaliteit: niet alleen het streven van nieuwe en gevestigde kunst naar bedrijfsmatige professionaliteit, maar ook een duidelijker oriëntatie op succes met een toegankelijke en wervende opstelling voor jongeren en ouderen, met een multiculturele aantrekkingskracht, een inhoudelijk veelzijdig aanbod, een 'outgoing'-houding tegenover de buitenwereld en een effectief en actief gebruik van alle in aanmerking komende kanalen van communicatie en publiciteit.

De hamvraag is, welke rol de overheid zich moet aanmeten om het hier geschetste ideaal te verwezenlijken. Hoe moet een nieuw evenwicht worden gevonden tussen kunstbeleid dat door kwaliteitsdeskundigen wordt gelegitimeerd en kunstbeleid dat door publieke belangstelling wordt bevestigd? Het ene uiterste lijkt al even onaantrekkelijk als het andere. Want ook de markt is niet de haarlemmerolie voor al onze problemen. Dat leidt tot een verschraling en een vertrutting van het aanbod.

Er is een Duits gezegde dat luidt: Die Kunst will geliebt, aber nicht verheiratet sein. Het huwelijk van de kunst met de door overheidssubsidies gedomineerde kunstwereld lijkt inderdaad ontwricht, terwijl een duurzame relatie met de markt ook geen grootse toekomst belooft. De gewenste derde variant moet een vrije ontwikkeling van de kunsten mogelijk maken, zonder de kunst in een situatie van onderhorigheid te brengen, of dat nu afhankelijkheid van de staat of van de markt is. De oplossing tussen de twee ongewenste huwelijken ligt in de sfeer van de wisselende contacten. Kunnen we op een innovatieve manier zoeken naar wisselende coalities met andere partijen in de markt, naar andere financieringsmethoden, naar nieuwe distributiekanalen, naar andere publieksgroepen, kortom naar een verbreding van het cultuurbeleid?

Zo is er een experiment waarbij particulieren worden gestimuleerd geld te investeren in filmproducties. Of neem de Dogtroep. Af en toe maakt deze theatergroep grote, spectaculaire voorstellingen die bijna commercieel, met risicodragend kapitaal worden opgezet. Beide voorbeelden bewegen zich in het grensgebied tussen commercieel en gesubsidieerd. Zo verdient ook het opdrachtgeverschap in het kunstbeleid een grotere plaats. Orkesten, muziekensembles, koren, amateurverenigingen, muziekuitgeverijen zouden veel meer als opdrachtgevers voor componisten kunnen dienen. In de beeldende kunst maken opdrachten al een substantieel deel uit van de markt.

Wat nodig is, is een 'dansende' overheid. Een overheid die beweegt op de verschillende ritmes van de tijd, die nu eens de deskundige ten dans vraagt, om met zijn onmisbare kwaliteitsoordeel een stuk van het kunstbeleid te legitimeren, dan weer een partner in de markt aanzoekt, om zeker te stellen dat het publiek niet verweesd aan de rand van de dansvloer blijft staan. Dat zijn het soort wisselende contacten die de kunst een betere toekomst beloven dan de keuze uit een van de twee genoemde huwelijkspartners.

De overheid zal, nog soepeler en inventiever dan tot op heden het geval is geweest, zich de verschillende marktinstrumenten op uiteenlopende terreinen eigen moeten maken. Dan gaat het onder meer om fiscale faciliteiten voor de Nederlandse filmproductie, het bevorderen van eigen inkomsten bij kunstinstellingen, meer eigen keuzevrijheid voor scholieren die theater- en muziekuitvoeringen bezoeken, risicodragende participatie in podiumkunstproducties en stimuleren van sponsoring en opdrachtgeverschap of andere middelen.

Ik eindig met de Amerikaanse regisseur Peter Sellars. Hij werd in een vorige State of the Union aangehaald met de volgende uitspraak: “Nieuwe gedachten komen niet meer van de politici. En zeker niet van de economen. Die zijn volkomen verloren. De beurt is weer aan de kunst om iets van nieuw leiderschap te tonen.” Als econoom in de cultuurwereld hoop ik dat het kunstbestel mijn 'ongekamde' opinies over 'democracy of culture', innovatie in de kunsten en cultureel ondernemerschap wil opvatten als een 'Aufförderung zum Tanz', een uitnodiging om aan te sluiten in de gedachtevorming over noodzakelijke vernieuwingen in het kunstbeleid. Want, anders dan de kunst - die er niet alleen voor ons allen is, maar ook voor zichzelf - mag het kunstbeleid nooit een zaak om zichzelf worden. Dan zou het kunstbeleid, ondanks zijn schone pretenties, een muurbloem blijven, en zoals u weet staan die in de discotheek kansloos in het donker.