Porno van het Artistiek-Bureau

Wie heeft er boeken in huis van het Artistiek-Bureau? Dat wil de Haarlemse letterkundige Nop Maas graag weten. Maas is een van de grootste kenners van de Nederlandse letterkunde uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In het jongste nummer van De Boekenwereld, een vaktijdschrift voor boekenliefhebbers, heeft hij het fonds van de obscure Rotterdamse uitgever J. Bergé gereconstrueerd. Dat was niet makkelijk, want tussen 1879 en 1900 gaf Bergé porno uit.

De samenstellers van Brinkmans Catalogus, onze nationale bibliografie, namen de uitgaven van Bergé's Artistiek-Bureau niet op. En ook in de archieven van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels was niets over hem te vinden. Maar gelukkig bestond er indertijd het weekblad Asmodée, dat niet braaf of puriteins was. Op basis van advertenties in dit blad kon Maas het grootste deel van het fonds van het Artistiek-Bureau reconstrueren. Voornaamste probleem is nu: er zijn dan wel 122 titels bekend, maar de meeste boeken die Bergé uitgaf, lijken van de aardbodem te zijn verdwenen.

Wie was J. Bergé? Volgens het Rotterdamse bevolkingsregister werd hij op 17 mei 1839 in Tilburg geboren. Op 21 januari 1865 verhuisde hij naar Rotterdam. In de Rotterdamse adresboeken duikt hij voor het eerst op in 1866 als handelaar in oude en nieuwe boeken in de Warmoezierstraat. Later vestigde hij zich op de Goudsche Weg. Hij exploiteerde daar een boekhandel en leesbibliotheek. Hij overleed op 6 februari 1900.

Een van de weinige boekjes die Maas wel te pakken kreeg, is Garnizoens-minnarijen van Henry de Cluny, 'Luitenant bij de Dragonders van den Hertog de Chartres'. Dit boekje, een vertaling uit het Frans, verscheen in 1888. De eerste zin luidt: “Ik ben vijfenvijftig jaar oud; mijn jongeheer kan ik nog maar door kunst en vliegwerk staande krijgen.”

De ik-persoon vertelt over zijn avonturen in de Franse provincie Maine, waar hij enkele jaren voor de Franse Revolutie als luitenant was gelegerd. Hij werd er door de dames met open armen ontvangen. Binnen de kortste keren werd de etiquette afgeschaft. De Cluny: “Er werd rendez-vous gegeven; er werden verbintenissen aangeknoopt en rokken opgeslagen, terwijl er broeksknoopen lossprongen, zoodat de jongeheertjes en de poesjes in elkanders nabijheid waren, waarna er verwoed werd gen...d.”

Maas geeft een geestige samenvatting van het boek. “Zoals gebruikelijk in het genre zijn zowel de heren als de dames onverzadelijk. Niet alleen de heren, maar ook de dames zijn de initiatiefnemende partij. De verteller beleeft de natte droom van iedere heteroseksuele jongeman: een trio met twee dames die als om strijd in alle beschikbare openingen genomen willen worden en daarna een versterkend ontbijt klaar maken. Bij de gezamenlijke reiniging in een zijkabinet wordt op de valreep nog snel een nummer gemaakt. De opgevoerde personages vertonen een onbekommerd promiscue gedrag.”

Leuk is ook dat Maas ingaat op het taalgebruik in dit erotische werkje. Terwijl de jongeheren en de poesjes over de pagina's krioelen, aldus Maas, zijn er vier woorden waarvan de klinkers door puntjes vervangen worden: 'naaien', 'pik', 'klooten' en 'hoeren'. “'Zet hem stijf en n... mij', zeggen de ogen van een dame.” “Onmiddellijk spietste hij haar en n...de haar op zijn hondjes” heet het elders. Voor de gezamenlijke acties van de minnaars en minnaressen gebruikt de auteur uitdrukkingen als “bestoot hebben van het poesje der dame” en “het vergelden van achterwerkstooten”. Voor 'klaarkomen' gebruikt hij meestal “zaadvocht storten”, ook bij de dames.

Maas moest erg lachen om de volgende passage:

Welk een vrouw! In haar achterwerk scheen zij een geheel mierennest te hebben.

“Ha! Nu, vriendlief!” schreeuwde zij. - “Ik loos al zaadvocht!”

Ik deed hetzelfde.

“Hij staat nog; ga voort!”

En ik ging mijn gangetje.'

Daarnaast tekende Maas schilderachtige uitdrukkingen op als “de sokken aanhebben”, “een pinneke steken”, “zich het poesje met zaad spoelen”. Hij stelde vast dat moeren werd gebruikt voor het masturberen van vrouwen (“terwijl ik de eene in haar achterste speelde, werd zij door de andere gemoerd”; “de razende mandolle moerde zich, terwijl mijn zaad in haar achterwerk spatte”, en een oudere vrouw met “een poesje als een open kelderraam” laat zich door impotente mannen moeren). Bovendien bleken de klassieken aanwezig te zijn via aanduidingen als een “Messalijnsche nacht” en “een Barbarijsch lavement” voor 'anaal contact'.

Kortom, de uitgaven van het Artistiek-Bureau kunnen ons ook veel leren over het erotische taalgebruik van onze overgrootouders, een onderwerp waar we bijna niets van afweten. Alleen daarom al is het erg de moeite waard om Nop Maas te helpen bij zijn zoektocht naar uitgaven van het Artistiek-Bureau. Ongetwijfeld zijn er verzamelaars van erotica die titels als Liefdes-avonturen der ex-keizerin Eugenie van Frankrijk (1879) in de kast hebben staan. Of Honderd en een minnaars. Lotgevallen eener schoone nachtzwerfster (1880). Dan wel De gekittelde dames uit de demi-monde uit 1881, met twee pikante plaatjes. Ik bedoel: wie laat oude boekjes met zulke titels bij een kraampje liggen? Niemand toch! Dus leen ze, geef ze of verkoop ze aan Nop Maas. Ze zijn bij hem in goede handen. Hij zal er te zijner tijd ongetwijfeld een prachtige studie aan wijden.