Ontbreken natiestaat is Ruslands achilleshiel

Rusland is geen natiestaat. Het is een van de factoren die verklaren hoe een rijk land als Rusland er niet in slaagt een een markteconomie te vestigen en waarom de staat, zolang ze niet naar het middel van de dictatuur grijpt, zo zwak staat in tijden van crises.

ROTTERDAM, 2 SEPT. “Rusland is een rijk land - hoe komt het dan dat Rusland zo'n arm land is? De Russen zelf zijn Ruslands grootste probleem. Ze verwachten een rijk leven zonder er zelf veel voor te doen”, zo zei de Russische dirigent Valeri Gergjev maandag in deze krant.

De uitspraak is niet nieuw. “Heb geen medelijden met ons. Geef ons geen vis als we honger hebben. Geef ons eerder een hengel en zeg ons waar we aas kunnen vinden”, verzuchtte in juni van dit jaar de Russische mensenrechtenactiviste en schrijfster Valeria Novodvorskaja in het blad Transition.

De uitspraken van Gergjev en Novodvorskaja vestigen de aandacht op een probleem dat weliswaar niet de val van de roebel, de economische ineenstorting en het politieke touwtrekken in Moskou verklaart, maar wel licht werpt op de vraag hoe de Russische samenleving in elkaar zit en hoe ze verschilt van de onze. De Russische samenleving, anders dan die in de meeste andere landen, is geen natiestaat, maar een staat-natie. En in een staat-natie ziet de bevolking de staat principieel anders dan die van een natiestaat, koestert andere verwachtingen en stelt andere eisen aan haar leiders, en reageert anders wanneer die staat niet bij machte is zijn veronderstelde verplichtingen na te komen.

Vijfhonderd jaar geleden begon het Russische rijk zich territoriaal uit te breiden nog vóór er sprake was van een Russische natie. De uitbreiding was spectaculair: het rijk van de tsaren wist enorme gebieden te veroveren, met talrijke andere volken en andere culturen. Die etnisch steeds meer gemengde bevolking werd als 'Russen' in het steeds grotere rijk opgenomen. Ze werd bovendien op autoritaire manier geregeerd, eerst door de tsaren, later door het Sovjet-regime. Aldus ontstond een staat-natie, waarin de etnisch gemengde bevolking de staat niet is gaan zien als haar vertegenwoordiger, maar als een instituut dat het, over haar hoofd heen, in alles voor het zeggen heeft. Niet de bevolking definieert de staat, maar de staat de bevolking.

Paul Goble van Radio Free Europe/Radio Liberty wees deze week in artikel op de consequenties van die houding: in de staat-natie Rusland ontbeert de staat de authenticiteit en de autoriteit die staten die in een bevolking wortelen - de natiestaten - wèl hebben wanneer de zaken mislopen. In een natiestaat kan de bevolking de belangen van de staat in tijden van misère identificeren met haar eigen belangen. In zulke moeilijke omstandigheden zal de Nederlandse (of de Franse, of de Poolse) staat kunnen rekenen op de solidariteit en de inventiviteit van de eigen bevolking om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Het nemen van initiatief, het besef van de eigen verantwoordelijkheid voor het eigen lot en 'dus' dat van de staat, bestaat in natiestaten. Het maakt deel uit van de 'burgerlijke samenleving' in die landen.

In Rusland kan de staat, wanneer de zaken extreem slecht gaan, op die kenmerken van de natiestaat niet rekenen. Een burgerlijke samenleving bestaat er niet en de kwaliteiten van zo'n burgerlijke samenleving - tact, solidariteit, gematigdheid, gezond verstand, een consensuscultuur - bestaan evenmin. Een bevolking die vijfhonderd jaar is geleerd dat de staat niet haar vertegenwoordiger is, 'voelt niet mee' met de staat wanneer het haar slecht gaat: ze verwacht, zoals haar dat altijd is geleerd, dat de staat haar problemen oplost. In landen als Polen is de situatie voor de bevolking na de val van het socialisme in 1989 extreem verslechterd - maar altijd was er het besef bij de Polen dat het doel van staat en bevolking tot op zekere hoogte samenvielen, en er was woede, en teleurstelling was er ook, maar nooit heben de Polen hun staat als zodanig laten stikken.

In de Russische geschiedenis daarentegen heeft die solidariteit nooit bestaan en dat beperkt het vermogen van de Russische staat om een uitweg te vinden in tijden van extreme crises. De grote massa van verpauperde Russen heeft geen initiatieven ontplooid om het lot in eigen hand te nemen: men is blijven verwachten dat de staat alles oplost, en toen die dat niet kon, is ze òf bij de pakken gaan neerzitten òf spoorlijnen gaan blokkeren, waarmee de ellende verergerde. De kleine groep van extreem rijken heeft de staat geplunderd door de staatskas op de meest schaamteloze (en onpatriottische) wijze leeg te roven en de door het Westen aangeleverde miljarden op bankrekeningen in Zwitserland en op Cyprus te zetten: die nouveaux riches ging de staat (en de staatsbelangen) al evenmin iets aan als de 'gewone' Russen. Rusland is 's werelds rijkste land - maar anno 1998 kan het zich niet eens voeden en niet eens kleden: het voert Franse wijn, Hollandse kaas, Duitse auto's en Turkse textiel in en betaald met zijn diamanten, goud, olie en gas. Fabrieken staan stil, boerderijen liggen braak en de bevolking houdt klagend haar hand op. De staat? Belastingen? De staat is 'niet van ons', de staat is er om pensioenen te betalen en de staat is er om te worden besodemieterd en bestolen.

Die staat heeft in een land als Rusland maar twee mogelijkheden: ze kan in tijden van extreme crises de oude vertrouwde autoritaire middelen toepassen en een nieuwe dictatuur ontketenen - en daarmee heel wat Russen een geweldig plezier doen, want het verlangen naar een sterke man, een man die alle problemen oplost, is groot. Of ze kan hulp van buiten vragen - de weg die het Rusland van Boris Jeltsin de afgelopen jaren heeft bewandeld. Een derde weg is er bij het ontbreken van een loyale bevolking niet. In de loop van de geschiedenis hebben Peter de Grote, Catharina de Grote, Alexander II en Nicolaas II gepoogd Rusland te moderniseren. Die pogingen mislukten, liepen uit op dictatuur, in de eerste twee gevallen, of moord - in de laatste twee. In 1905 ondernam Nicolaas de laatste poging. De Doema van 1906 zat boordevol extremisten en maniakken, net zoals de Doema van dit moment. In 1911 werd Nicolaas' vernieuwende premier Stolypin (voor de schrijver Solzjenitsyn de grootste Russische politicus van deze eeuw) in Kiev vermoord door een man van wie nooit is komen vast te staan of hij werkte voor de geheime dienst of voor de revolutionairen - of voor allebei. Ruslands experiment eindigde in terreur en, luttele jaren later, in een revolutie, een bloedige burgeroorlog en zeventig jaar Sovjet-dictatuur.

In Rusland is de identiteit van de bevolking altijd gedefinieerd door de staat - nooit omgekeerd. Die bevolking is dan ook, schrijft Paul Goble, overgeleverd aan de genade van de staat. Als die staat zwak is en niet aan de verwachtingen kan voldoen, laat die bevolking haar vallen: ze verwacht oplossingen en kracht, geen zwakte. “Als het volk aan zichzelf wordt overgelaten loopt het uit op pogroms en wilde rebellieën”, schrijft Valeria Novodvorskaja.

Een leider met autoriteit kan zich in zulke omstandigheden nog redden. Boris Jeltsin is er de man niet (meer) naar. Hij is een kampioen in het persoonlijk overleven, maar niet in het bezweren van economische crises of het opbouwen van een geheel nieuwe samenleving. Novodvorskaja: “Jeltsin is een ruige en simpele man. Hij weet niets van economie en wil iedereen blij maken, maar verlengt alleen iedereens leed. Hij liegt en beheerst de kunst van de intrige, is bezorgder om zijn hofhouding dan om het land en barst van imperiale arrogantie. Tegelijkertijd is hij vriendelijk. Hij is onhandig maar eerlijk in zijn steun voor de vrijheid van meningsuiting. We hebben hem tijdens de oorlog in Tsjetsjenië een moordenaar en een oorlogsmisdadiger genoemd, maar hij heeft ons niets gedaan. De oppositie vergelijkt hem met Nero, Satan, een vampier - en hij tolereert alles. Hij is eerlijk, heeft geen fortuin en geen bankrekening en de gezinsauto is tweedehands.”

Nu de crisis toeslaat is Jeltsin aan het eind van zijn latijn: hij heeft geen recept. Toen Viktor Tsjernomyrdin hem maandag verslag uitbracht van zijn afwijzing door de Doema, kon Jeltsin slechts onbegrijpend zuchten.

Jeltsin is zijn gezag kwijt. En hij niet alleen: de rest van de politieke klasse is dat ook. Tsjernomyrdin, de communist Zjoeganov, de nationalist Zjirinovski, burgemeester Loezjkov van Moskou, de hervormer Javlinski - geen van hen geniet vertrouwen bij een bevolking die de politieke leiders identificeert met een staat waarmee ze zichzelf niet identificeert, waarvan ze de belangen niet deelt en waarmee ze geen solidariteit of loyaliteit voelt - en ook nooit gevoeld heeft. De staat van beleg ligt om de hoek.