Duitse justitie heropent zaak-Bikker

Het openbaar ministerie in Dortmund onderzoekt of de uit Nederland afkomstige Herbertus Bikker, die al 45 jaar vrijwel onopgemerkt in Duitsland woont, zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden in de Tweede Wereldoorlog.

DEN HAAG, 2 SEPT. Gerardus Klink (69) moet volgende week bij de rechter-commissaris in Zwolle getuigen tegen de van oorlogsmisdaden beschuldigde Herbertus Bikker (83). Veel animo heeft Klink niet, vertelt zijn vrouw. “Mijn man heeft astma. Bovendien ligt het emotioneel nog steeds gevoelig. Wat die Bikker heeft uitgespoookt is met geen pen te beschrijven.” Nee, getuigen doet Klink liever niet. “Maar hij moet wel. Het is verplicht.”

Over de kwaadaardigheid van Bikker bestaat bij het echtpaar Klink geen enkele twijfel: “Zeker. Hij heeft Houtman doodgeschoten, in de stal. Achter de koeien, in de stront. Daarna is hij teruggekomen met een machinegeweer. Hij heeft er op losgeknald tot zijn buik (van Houtman -red.) een hoopje gehakt was. Het is en verschrikkelijk bruut mens”, vertelt mevrouw Klink.

Herbertus Bikker, afkomstig uit een boerengezin in de Alblasserwaard, woont inmiddels al weer meer dan 45 jaar in Duitsland. Hij leeft teruggetrokken van een pensioentje dat hij heeft opgebouwd als huismeester en nachtwaker.

Bikker was een van de zes oorlosmisdadigers die op tweede kerstdag 1952 uit de Koepelgevangenis in Breda naar Duitsland ontsnapten. Hij had bij de Waffen SS gezeten en bij de Ordnungspolizei. Hij had als bewaker gewerkt in het kamp Erica bij Ommen (onder meer voor mannen die zich hadden onttrokken aan gedwongen tewerkstelling in nazi-Duitsland). Hij was na de oorlog veroordeeld tot levenslang, wegens doodslag op de verzetsman Jan Houtman en de onderduiker Herman Meijer, en wegens mishandeling van gevangenen in kamp Erica.

Na zijn vlucht vroeg Nederland Duitsland om uitlevering. Dat bleek onmogelijk. Zijn lidmaatschap van de Waffen-SS had hem automatisch een Duitse nationaliteit opgeleverd. En Duitsland levert geen landgenoten uit.

Een eigen onderzoek van de Duitse justitie (Bikker zat er volgens de Duitse justitie drie jaar vast) liep in 1957 stuk op gebrek aan bewijzen. Mede omdat de Nederlandse justitie toen niet al te scheutig was met het verschaffen van de nodige dossiers. “Nederland weigerde in 1956 'om principiële overwegingen' rechtshulp te verlenen aan de Duitse justitie”, vertelt officier van justitie Ulrich Maass in Dortmund. “Waarom Nederland weigerde weet ik niet. Dat waren politieke overwegingen.” Algemeen wordt aangenomen dat Nederland destijds niet op het Duitse verzoek inging omdat Den Haag veel liever uitlevering wilde dan een nieuw (Duits) justitieel onderzoek.

In 1980 bood Nederland overigens wèl rechtshulp aan en verzocht het Duitsland om vervolging in te stellen, consteert de Amsterdamse officier van justitie Paul Brilman, belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog. Maar tòen zag de Duitse justitie, na lezing van de dossiers uit Nederland, geen aanleiding voor verder onderzoek en werd de zaak geseponeerd. “Toen hebben ze al op voorhand, zonder getuigen te horen, geoordeeld dat er geen bewijs was”, aldus Brilman.

Bikker leefde ondertussen een vrijwel onopgemerkt leven in Duitsland. Een tv-reportage van de KRO's Reporter rukte Bikker in januari 1993 (hij was toen al ver in de zeventig) opnieuw uit de vergetelheid. In de uitzending bevestigde Bikker dat hij Houtman had gedood. Reporter toonde een agressieve man, die ontkende, 'verzachtende omstandigheden' aanvoerde en nog steeds een pistool op zak had. Bikker kreeg drie jaar na de tv-uitzending opnieuw de aandacht toen een hondertal anti-fascisten voor zijn huis demonstreerden.

Door verklaringen van twee anti-fascisten die waren aangeklaagd wegens hun protestdemonstratie voor het huis van Bikker, werd de Duitse justitie in het najaar van 1996 opnieuw op het spoor gezet van de Nederlandse oorlogsmisdadiger. Toen officier van justitie Maass een jaar later de KRO-reportage en het weekblad Stern in handen kreeg met daarin harde aanwijzingen van oorlogsmisdaden, heropende hij de zaak-Bikker, zo zegt hij.

Volgende week worden de eerste drie Nederlandse getuigen gehoord in Zwolle. Broer en zus Klink die bij de stal waren toen Bikker verzetsman Houtman neerschoot. En 'een collega bewaker' uit het kamp Erica die getuigen zou zijn geweest van de moord op onderduiker Meijer, aldus Maass.

Maass hoopt op harde bewijzen zodat hij nog eind van het jaar tot vervolging kan besluiten en Bikker komende zomer voor de rechter kan dagen. De maximale straf is levenslang. Maar dan moet vaststaan dat het hier 'moord' betrof, en niet 'doodslag' - want dat delict is ruimschoots verjaard. Heel optimistisch is Maass niet. “De bewijsvoering blijft erg lastig. Het aantal getuigen neemt met de jaren af. Bovendien is Bikker zelf erg oud, 83 jaar, en erg ziek.”

Bikker is de enige Nederlandse oorlogsmisdadiger tegen wie op het ogenblik een justitieel onderzoek loopt. In de jaren vijftig en zestig en tot in de jaren zeventig had de opsporing van deze criminelen in Nederland geen hoge prioriteit. Maar met de zaak-Menten veranderde dat. In 1979 kreeg Nederland een officier van justitie belast met opsporing van oorlogsmisdadigers. Het aantal gevluchte oorlogsmisdadigers dat op het verlanglijstje prijkt van de Nederlanse justitie is sinsdien geslonken van meer dan driehonderd naar minder dan tien. Vooral als gevolg van 'verjaring' van de delicten en wegens overlijden van de delinquenten. Paul Brilman komt nu uit op zo'n vijf voortvluchtige oorlogsmisdadigers: Auke Pattist in Spanje, Abraham Kipp in Argentinië, en een paar in Duitsland, onder wie Bikker.

De officier heeft de afgelopen twintig jaar totaal vijf gevluchte oorlogsmisdadigers naar Nederland weten terug te halen. En hij heeft twee nieuwe strafvervolgingen ingesteld, beide in vrijspraak geëindigd.

Brilman vindt het “heel goed” dat Duitsland nu alsnog tot vervolging probeert over te gaan. “Duitsland wil nu op een integere wijze afrekenen met het verleden. Daarmee stellen ze veel Nederlanders gerust”, aldus Brilman.

De echtgenote van getuige Klink heeft zo haar twijfels. “Wat wil Duitsland nu?”, zo vraagt ze zich af. “Ze hebben ons gezegd dat ze het doen 'om op een lijn te komen met Nederland'. En 'om schoon schip te maken'. Maar nu nog? Die man is in de avond van zijn leven. Het had allemaal véél eerder moeten gebeuren.”