Voor reële invloed is een geloofwaardige krijgsmacht nodig

In de besluitvorming over de toekomstige inrichting van de Nederlandse krijgsmacht lijkt de kaasschaaf het onderspit te gaan delven tegen de amputeerzaag. Inmiddels is duidelijk geworden dat in de defensiehuishouding aanzienlijk meer zal moeten worden omgebogen dan het bedrag van 375 miljoen dat in het regeerakkoord is overeengekomen.

En dan te bedenken dat het defensiebedrijf, anders dan vele particuliere bedrijven, niet in staat is de lasten van personeelsafvloeiing voor een belangrijk deel af te wentelen op algemene voorzieningen van werkloosheid. Daar moet het (evenals trouwens universiteiten) zelf geheel voor opdraaien. Afstoting van taken, in het bijzonder taken die grote materieelinvesteringen met zich brengen, dreigt onvermijdelijk te worden. Vandaar dat vooral de Koninklijke Marine en de Koninklijke Luchtmacht de adem inhouden.

Overigens doet zich de vreemde situatie voor dat enerzijds de krijgsmacht als geheel te veel personeel heeft (speciaal in de staven en ondersteunende diensten), maar dat het anderzijds de Koninklijke Landmacht de grootst mogelijke moeite kost voldoende jongeren te werven voor de 'troep'.

In de eerste schermutselingen over de nieuwe prioriteiten duikt regelmatig de tegenstelling op tussen de algemene verdedigingstaak en de operaties voor crisisbeheersing. Verklaarde voorstanders van forse bezuinigingen (PvdA en D66) lijken voorrang te willen geven aan de tweede taak; ze wekken de indruk de algemene verdediging als relict van de Koude Oorlog te beschouwen. Daarentegen wensen tegenstanders van nieuwe bezuinigingen (VVD en ook het oppositionele CDA) niet dat de laatste taak wordt gelegd op het offerblok van een nieuwe herstructurering.

Een belangrijk argument daarbij is dat de algemene verdediging, hoe theoretisch in de huidige situatie met een totaal ontredderd Rusland ook, ten nauwste verband houdt met onze verdragsmatige verplichtingen uit hoofde van het NAVO-lidmaatschap.

De termen 'algemene verdedigingstaak' en 'crisisbeheersingsoperatie' zijn in de afgelopen jaren vaste nummers in het vocabulaire van Defensie geworden. Naar mijn smaak vertroebelt dit begrippenpaar echter het debat over de herschikking van taken eerder dan dat het dit verheldert.

Om meer dan één reden is de term 'crisisbeheersingsoperatie' een ongelukkige benaming als het erom gaat militair optreden buiten het bondgenootschappelijk verdragsgebied aan te duiden. Ten eerste stond crisisbeheersing in het hart van de oude NAVO-strategie van oorlogsvoorkoming en had deze strategie niets te maken met militaire interventie in niet-NAVO-landen. Nog niet zo lang geleden waren er zelfs verantwoordelijke personen die - zeer ten onrechte - volhielden dat de NAVO zich niet buiten haar verdragsgebied mocht vertonen. In de tweede plaats wordt de term gebruikt als dekmantel van de meest uiteenlopende vormen van militair optreden: humanitaire reddingsoperaties, klassieke vredesoperaties, een operatie zoals momenteel in Bosnië wordt uitgevoerd (SFOR) en massale militaire campagnes zoals Desert Storm tegen Irak in 1991.

Eigenlijk komen preventieve ontplooiing van militaire eenheden alsmede militaire acties die zijn gericht op het intomen van beperkte uitbarstingen van geweld nog het dichtst in de buurt van de oorspronkelijke, analytische betekenis van het onderhavige begrip. De vraag of een optreden plaatsvindt binnen of buiten de grenzen van het bondgenootschap doet in dit verband niet ter zake.

De echte keuze waarvoor we met onze krijgsmacht staan, is aan te sturen op hetzij de vorming van een apparaat dat alleen is toegerust op de uitvoering van relatief weinig riskante operaties aan het lage eind van het geweldsspectrum hetzij handhaving van een krijgsmacht die zich werkelijk krijgsmacht mag noemen. Dit laatste wil zeggen: in staat is in internationaal verband een reële bijdrage te leveren aan de uitvoering van gevechtsoperaties, daar waar onze vitale belangen en die van onze voornaamste bondgenoten worden bedreigd. Bijvoorbeeld in de Perzische Golf, het Midden-Oosten (Saoedi-Arabië) en Noord-Afrika.

Een voorkeur voor de eerste optie zou ons dicht in de buurt brengen van het model van Denemarken; ontwikkelingssamenwerking en defensie gaan in dat land in feite hand in hand.

Tot dusverre heeft een politieke meerderheid in Nederland de opvatting gesteund dat het leger aanzienlijk meer potentie zou dienen te hebben dan het inzetten van bewapende ontwikkelingswerkers. Officieel beleid is nog steeds dat ons land voor vrede-afdwingende operaties, in het hogere deel van het geweldsspectrum, gevechtseenheden van relatief grote omvang beschikbaar houdt. Nederland zou zichzelf veel politieke schade berokkenen, indien die potentie in de komende strijd om de bezuinigingen verloren zou gaan.

Nu al kan de vraag worden gesteld of de landmacht werkelijk in staat is een gevechtsbrigade op volle sterkte uit te zenden. Elke aanspraak van onze kant op meer dan marginale invloed op wezenlijke politiek-strategische beslissingen in het bondgenootschap dient gebaseerd te zijn op de bereidheid naar evenredigheid mee te delen in de risico's die moeten worden genomen om onze wereld minder gevaarlijk te maken.