Van het Balboa-plein naar de dug-out in Zeist

ROTTERDAM, 1 SEPT. Frank Rijkaard begon zijn voetbalcarrière op het Balboa-plein in Amsterdam, waar hij met jeugdvriend Ruud Gullit tot in de avonduren te vinden was. Via amateurclubs SCA, Blauw Wit en DWS belandde hij bij Ajax, waarvoor hij op 23 augustus 1980 in de uitwedstrijd tegen Go Ahead Eagles zijn debuut in het betaalde voetbal maakte.

Een jaar later, op 1 september 1981, debuteerde hij voor het Nederlands elftal in de interland tegen Zwitserland. Gullit was een van de andere debutanten in de oefenwedstrijd. Zes jaar later volgde de breuk met Ajax, nadat Rijkaard tijdens de training in aanvaring kwam met John Cruijff, de toenmalige trainer van de Amsterdammers. “Krijg toch de kolere met je eeuwige gezeur!”, zou Rijkaard hebben gezegd.

Een half jaar trainde de middenvelder voor zichzelf, waarna Sporting Lissabon hem aantrok. Toen de Portugese club de financiering niet rond kon krijgen, leende Sporting hem uit aan Real Zaragoza. Na elf wedstrijden selecteerde bondscoach Michels hem voor het EK in Duitsland, waar Oranje de titel behaalde.

Na het EK vertrok Rijkaard naar AC Milan, waar hij herenigd werd met Ruud Gullit en oud-ploeggenoot Marco van Basten. In Milaan bouwde de 73-voudig international een indrukwekkende erelijst op, met onder meer twee landstitels, twee Europa Cups voor landskampioenen en twee wereldbekers.

Na vijf jaar keerde Rijkaard terug naar Ajax, waar hij de laatste twee seizoenen van zijn loopbaan doorbracht. Hoogtepunt vormde de winst in de Champions League, in het voorjaar van 1995 toen zijn voormalige club AC Milan in Wenen met 1-0 werd verslagen. Kort daarop, op 28 mei 1995, sloot Rijkaard zijn indrukwekkende loopbaan af, in de competitiewedstrijd in De Meer tegen tegen FC Twente.