Rechter bang voor proces op Internet

Mogen partijen in een gerechtelijke procedure elkaars processtukken op Internet zetten? Nee, zegt de Europese rechter, die spreekt van “misbruik van de procedure”.

AMSTERDAM, 1 SEPT. De rechtspraak krijgt een nieuwe dimensie door Internet. Dit nodigt immers uit tot integrale publicatie. Wat is er mooier dan een rechtszaak volledig te kunnen volgen? Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen is er niet van onder de indruk. Partijen in een geschil mogen niet elkaars processtukken naar buiten brengen, zo oordeelde het gerecht in een testcase die de Zweedse Journalistenvereniging had aangespannen tegen de Raad van ministers van de Europese Unie. De Zweedse bond werd daarbij gesteund door de staat der Nederlanden.

Inzet van de procedure was de openbaarheid van een aantal beleidsdocumenten, onder meer over Europol, die de Europese Raad had geweigerd aan de journalisten te verstrekken. Deze weigering werd door het gerecht overigens afgekeurd omdat onvoldoende duidelijk was wat precies de motieven voor afwijzing waren.

De ministers hadden zich op hun beurt echter beklaagd dat de journalistenvereniging de pleitnota van de Raad in deze procedure op Internet had gezet. Het ging om een geredigeerde versie plus bijlagen. Het publiek werd uitgenodigd zijn commentaar te doen toekomen aan de agenten van de Raad, van wie naam en telefoon- en faxnummer werden vermeld.

Dit is “misbruik van de procedure”, oordeelde het Gerecht van Eerste Aanleg. Een procespartij krijgt volgens de Europese rechters alleen toegang tot procesdocumenten van de tegenpartij met “het doel zijn eigen zaak te bevorderen en voor geen ander doel”. Dat laatste geldt zeker voor “het aanzetten van het publiek tot kritiek op argumenten die door de tegenpartij worden opgeworpen”. Tijdens de procedure heeft de Zweedse journalistenbond toegezegd de omstreden stukken van Internet te halen. Dat lukte echter niet, want eenmaal op het net gezet valt informatie moeilijk te wissen.

Ook los van dit praktische bezwaar roept de uitspraak van het gerecht vragen op. Zo maakt het geen onderscheid naar de aard van de procesdocumenten: gevoelig of niet? A.A.L. Beers, een expert op het gebied van openbaarheid van bestuur en nieuwe media aan de Katholieke Universiteit Brabant, signaleert een zekere vrees bij rechters dat Internet hun exclusiviteit aantast. Hij heeft echter wel begrip voor de Zweedse uitspraak. De hamvraag is of het publicatieverbod beperkt blijft tot de periode waarin het geschil nog onder de rechter (sub judice) is. De uitspraak hinkt wat dit betreft overigens op twee gedachten.

Pagina 2: Nieuwe vrees voor 'trial by Internet'

Strikt genomen blijft het verbod ook na de uitspraak van kracht. Maar de uitspraak bevat ook verwijzingen naar het recht van partijen in een geschil hun zaak te verdedigen zonder externe druk. En dat recht op verdediging eindigt wanneer de rechter heeft gesproken.

Het sub judice-beginsel is trouwens zelf omstreden. “Een openbare behandeling” geldt zowel voor strafzaken als voor burgerlijke zaken als een van de Europese rechten van de mens. Dit is onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van meningsuiting. Er zijn wel een aantal beperkingen toegelaten, zoals bescherming van het privéleven van de procespartijen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging. Bij de traditionele vrees voor een trial by newspaper komt nu de vrees voor een trial by Internet. Het Europese Hof voor de mensenrechten (de hoogste Europese instantie op dit gebied) heeft de strijd tussen het sub judice-beginsel en de vrijheid van meningsuiting al in 1980 beslecht ten gunste van de uitingsvrijheid, constateerde U. van de Pol tien jaar geleden al in een proefschrift over het openbaarheidsbeginsel. Het ging daarbij om het Softenondrama, een middel voor zwangere vrouwen dat tot ernstige misvormingen bij hun baby's leidde. De schuldvraag kon ook vóór de uitspraak van de rechter kritisch worden besproken door de media. Dat beginsel valt door te trekken tot de procespartijen en Internet.

Iets anders is dat advocaten auteursrecht kunnen laten gelden op hun pleitnota's. De tegenstander kan daar niet zomaar mee aan de haal gaan. Dat is ook niet vreemd vanwege de research die in zo'n stuk kan gaan zitten. De vrije openbaarheid is dan beperkt tot citaten (met bronvermelding). Maar over eventuele copyrightinbreuk op een pleitnota heeft een Europese rechter niets te zeggen, noteert de Amsterdamse hoogleraar informatie- en auteursrecht P.B. Hugenholtz.

De beslissing van het Gerecht van Eerste Aanleg staat niet op zichzelf, zegt prof. Deirdre Curtin. Zij houdt zich aan de Utrechtse universiteit onder meer bezig met de openheid van internationale organisaties en adviseerde de Zweedse journalistenbond. Prof. Curtin maakt zich zorgen over het gebrek aan openheid bij het Gerecht zelf. Als voorbeeld noemt zij de overzichten van de argumenten die in een zaak naar voren worden gebracht. Deze worden opgesteld door een lid van het gerecht, de rechter-rapporteur. Voorheen werden deze rapporten altijd gepubliceerd. De laatste jaren zijn ze echter steeds minder toegankelijk voor buitenstaanders. Ook zijn de rapporten alleen in de taal van de zaak zelf beschikbaar (dat kan Grieks zijn of Portugees) terwijl er nota bene altijd een Franse vertaling voorhanden is.