MONDORGELS UIT BANGLADESH

Orgues-à-Bouche: Rituels des Murung (Inedit W 260084).

In de zuidwesthoek van Bangladesh wordt een instrument bespeeld dat 'plung' wordt genoemd. Naar vorm en speelwijze heeft het veel van een doedelzak, het luchtreservoir is echter gemaakt van een kalebas, en de pijpen zijn van bamboe. Op Orgues-à-Bouche, Rituels des Murung zijn twee soorten te horen. Het geluid van het 'ting-tang'-model doet denken aan dat van een klein formaat pijporgel, de 'rina'-variant klinkt meer als een harmonium.

In het lange openingstuk speelt een negenmans plung-orkest. Enkele bespelers herhalen heel ritmisch voortdurend de grondtoon, de andere weven daar op een even consequente manier dartele motiefjes overheen. Het resultaat is een uniek soort minimal music die qua kleur meer aan Chinese muziek doet denken dan aan de klassieke raga's van Voorindië. Al even vreemd zijn de vocalen in het tweede stuk voor wie de barokke stijlen uit India en Pakistan kent. Het Sprechgesang van de mannenstem ligt dichter bij rap dan bij belcanto en ook het vrouwenkoortje toont zich wars van elke ornamentuur.

De verklaring voor al deze eigenwijsheid moet het feit zijn dat de in de heuvels wonende Murung met de volk- en waterrijke delta van Bangladesh nooit veel te maken hebben gehad. Ze werden niet bekeerd tot hindoes of moslims, koesterden hun Paleo-Mongoolse taal en blijkbaar ook hun hallucinerende 'plungs'.