Lewinsky's voorgangster

e Monica Lewinsky van president John F. Kennedy was Judith Campbell, maar toen ze die rol speelde ging ze schuil achter nevelige veiligheidsmaatregelen in de westelijke vleugel van het Witte Huis die haar aan het oog van de wereld onttrokken. In december 1975 trad ze voor het eerst in de openbaarheidheid. Op een zelfbelegde persconferentie verweerde ze zich tegen persberichten dat zij begin jaren zestig geheim koerierster was geweest tussen Kennedy en Sam Giancana, de godfather van de mafia in Chicago en tegelijkertijd hun beider minnares.

Een maand eerder was haar verleden aan het licht gekomen in een rapport van de Senaatscommissie Church over de betrokkenheid van de CIA bij een aantal mislukte moordaanslagen op Fidel Castro. De commissie Church duidde haar discreet aan als “a close friend of president Kennedy” die in de periode 1960 tot medio 1962 kind aan huis was geweest in het Witte Huis en die volgens inlichtingen van de FBI in diezelfde periode nauwe relaties had onderhouden met de mafialeiders John Rosselli en Sam Giancana. De New York Times en de Washington Post ontdekten dat de vrouw achter die omschrijving, Judith Campbell Exner heette. Ze was inmiddels getrouwd met de profgolfer Dan Exner en enkele maanden eerder achter gesloten deuren door de commissie Church onder ede verhoord. Tijdens dat verhoor had ze verteld dat zij een jarenlange relatie met Kennedy had gehad maar niet op de hoogte was geweest van enige betrekking tussen Kennedy en Giancana. In haar memoires die zij in 1977 publiceerde, gaf Exner aan de hand van haar zakagenda's een opsomming van haar vele rendez-vous met Kennedy, met nauwkeurige aantallen en tijdstippen en plaatsen waar die hadden plaatsgevonden. Uit die bijzonderheden dringt zich onmiskenbaar de indruk op dat Kennedy een heel wat groter deel van zijn tijd aan de freelance-liefde wijdde dan Clinton heeft gedaan.

De schrijver Seymour Hersh (onthuller van het door Amerikanen aangerichte bloedbad van My Lai in Zuid-Vietnam) ontdekte weer vele jaren later dat Edgar J. Hoover's FBI van het begin tot het eind elke stap van Campbell (Exner) had gevolgd en elk telefoongesprek had afgeluisterd en daardoor tot in bijzonderheden bekend was met de relatie tussen haar en Kennedy. Hoover had de president voor haar dubbelrol gewaarschuwd maar zulke waarschuwingen waren aan de roekeloze Kennedy niet besteed. Die was zelf in de eerste plaats medeplichtig aan haar dubbelrol want het enige dat Hoover niet wist was dat Kennedy zowel voor als tijdens zijn presidentschap in totaal tien keer de koerierslijn van Campbell had gebruikt om koffers met geld naar de mafiabaas te brengen. Het waren de betalingen voor de financiering van Giancana's pogingen om Castro om zeep te helpen en de beloning om de mobleader tot in lengte van jaren 'kalm te houden'. Sam Giancana toonde zich een vriend in voor- en tegenspoed. Toen Campbell in 1962 van Kennedy zwanger zou zijn geraakt, haalde Giancana hem uit de nesten door Campbell te trouwen.

Seymour Hersh komt in zijn boek The Dark Side of Camelot (New York 1997) met een groot aantal nieuwe feiten over de betrekkingen van Kennedy met de mafia, die eens te meer illustreren aan hoeveel risico's het presidentschap van John F. Kennedy was blootgesteld. Persoonlijke risico's (zijn talrijke vrouwenaffaires) maar ook risico's voor de staatsveiligheid. Kennedy was even verslaafd aan vrouwen als aan gevaarlijke situaties die het risico meebrachten om tegen de lamp te lopen. Zijn legendarische seksuele gulzigheid overtrof de stoutste fantasieën van de journalisten, die wel iets vermoedden maar er nooit over schreven. Kennedy's leveranciers liepen de longen uit hun lijf om iedere dag voor verse aanvoer te zorgen. Uit het fascinerende boek van Hersh blijkt onder meer dat Kennedy een speciale provider in huis had die én een goede hand van recruteren had én een effectieve dekmantel was: zijn zwager Peter Lawford. Deze B-film acteur, die dus niets minder dan zijn zwagers souteneur was, haalde zijn materiaal uit Hollywood waar nooit gebrek was aan aspirant-sterren die maar al te graag de president wilden ontmoeten. Vergeleken met deze veelvraat-voorganger heeft Clinton zich nog een ascetische levenswijze aangemeten.

Hersh heeft getuigen aan de praat weten te krijgen die nooit eerder hun mond hebben opengedaan of nooit het achterste van hun tong hebben laten zien. Judith Campbell herhaalt in het boek van Hersh haar getuigenis voor de commissie Church, maar nu volledig. Hersh heeft haar de bekentenis ontlokt dat zij de commissie in 1975 niet de waarheid heeft verteld zo min als op haar persconferentie. Ze had haar kennis over het netwerk van Rosselli en Giancana niet prijs durven geven omdat zij vreesde voor haar leven. Bovendien hadden de juridische medewerkers van de commissie volgens Campbell het haar gemakkelijk gemaakt door haar de verkeerde vragen te stellen. Zij hadden haar alleen maar gevraagd naar haar rol als schakel tussen Kennedy en Giancana in plaats van te vragen of Jack Kennedy persoonlijk de opdracht had gegeven tot het overbrengen van de 'brieven' naar de mafiabaas.

Dat doet tenminste de vraag rijzen of de Senaatscommissie wellicht niet wilde weten dat de president mafiavrienden had en blootstond aan het gevaar van chantage. Die onthulling zou het imago van Camelot in het jaar 1975 een enorme slag hebben toegebracht.

Intussen is er van dat imago niet veel meer over. De Kennedy's mogen zich gelukkig prijzen dat er in hun tijd nog geen onafhankelijke aanklager bestond. Misschien zou het niet veel hebben uitgemaakt. Waarschijnlijk zou zo'n aanklager door de minister van Justitie (broer Robert) al zijn ontslagen nog voordat hij de president (broer Jack) enige schade had kunnen toebrengen.

Sam Giancana heeft niet de hele geschiedenis meegemaakt. De avond voordat hij door de commissie Church zou worden verhoord werd hij in zijn huis bruut vermoord. Dramatisch einde van een dramatisch leven. Een onverbiddelijk onderwerp voor een nieuw boek van Seymour Hersh.