Geen bezoek

Of ik een brief aan de directeur wil schrijven? Hij wil zijn vrouw en kinderen niet meer zien. Hij kan er niet meer tegen. Het gat erna is te diep. Het laatste bezoek wilde hij eigenlijk ook al niet. Maar ze stonden opeens voor de poort en toen kon hij er niet meer onderuit. Dagenlang was hij in de war geweest. Overal waar hij ging, zag hij ze levensgroot staan: huilend, ontredderd, hopeloos alleen. Vooral zijn jongste dochter die zich aan het eind aan hem had vastgeklampt en 'Pappa, pappa' had geschreeuwd, bleef hem achtervolgen.

“Maar willen zij dat wel, Said”, mompel ik. “Je vrouw en dochters bezoek ontzeggen is nog al wat en je moet nog een jaar?”

“Ik heb het er met God over gehad”.

Hij is streng orthodox en er gaat bijna geen nacht voorbij dat hij niet met Allah praat. Vaak uren achter elkaar. De laatste weken komt zijn God ook af en toe langs, praten ze wat, schenkt hij thee en krijgt hij soms bevelen. Gelukzalig kijkt hij me aan. De bajes lijkt lichtjaren weg.

“Zal je eerst maar niet even met ze bellen?”

Schokschouderend loopt hij naar de telefoon. Voor hem hoeft het niet. Zijn besluit staat vast.

Het is een moeizaam gesprek. Minutenlang kwekt en gesticuleert hij er wild op los. Ik versta er geen woord van; het is Arabisch. Opeens, midden in een langgerekte keelklank, gooit hij de hoorn erop, loopt naar het tralievenster en begint luidkeels te schelden.

Geen hond die het waagt zich ermee te bemoeien. Als de leider van de Marokkanen het op zijn heupen krijgt, doet hij wat hij wil. Als hij tot bedaren is gekomen, gaat hij weer zitten.

“Ze willen het niet, ze willen per se komen”, fluistert hij. Hij moet oppassen. Een bendeleider die zijn vrouw en kinderen niet aan kan, is niet veel waard. Als de anderen dat horen, vinden ze hem al gauw een watje. Met alle gevolgen van dien.

Hij begint te ijsberen.

“Schrijf toch maar een brief”, mompelt hij opeens. Hij kan het niet. Verder dan een paar strepen en halve woorden komt hij niet.

“En wat doe je, als ze toch komen?” Hij begrijpt wat ik bedoel. Een andere Marokkaan die ook geen bezoek meer wilde, heeft een tijdje terug zijn vrouw en kinderen voor de poort laten staan. Toen het bekend werd, heeft hij het grootste gezeik gekregen. Geen Marokkaan die hem nog zag staan en pas na een aframmeling is het weer goed gekomen.

“Schrijven”, fluistert hij opnieuw. “Maar denk erom, geen woord hierover.”

Hij legt een vinger op zijn lippen en kijkt me strak aan. Ik knik. Van mij heeft hij niks te vrezen. Hem verlinken is het laatste dat ik wil. Als ik dat doe, ben ik mijn leven niet meer zeker. Ik pak mijn pen en begin te schrijven:

“Geachte directeur

Bij deze deel ik U mee dat mijn vrouw en kinderen mij vanaf heden niet meer mogen bezoeken''.

ALs ik klaar ben, lees ik het hem langzaam voor. Het is een harde boodschap en ik krijg de woorden niet makkelijk uit mijn strot.

“Weet je zeker dat je dit wil?”

Zonder me een blik waardig te gunnen, pakt hij mijn pen en bekrachtigt de inhoud met een simpele streep. Daar gaan zijn vrouw en twee dochters. Even lopen me de rillingen over de rug. In een flits zie ik wat er de volgende week gaat gebeuren. Want ze komen toch en daar staan ze dan voor de poort met zo'n knoest van een blauwe die hen achteloos zegt “dat hun vader hen niet meer wil zien.”

Resoluut smijt Said de brief in de bus. Het is zijn laatste woord. Er is geen weg terug meer. Allah heeft gesproken.