Etholoog Wiepkema bepleit forse inkrimping pluimveesector en betere huisvesting; Een kip heeft ook gevoel

Nederland was hevig geschokt toen de uitbraak van de varkenspest duidelijk maakte wat er in die sector gebeurde. Maar ook in de nu explosief groeiende pluimveesector bestaan ernstige misstanden. Etholoog prof.dr. P.R. Wiepkema vindt dat niet alleen een stevige inkrimping van de pluimveestapel nodig is, maar dat de dieren ook ingrijpend anders gehuisvest moeten worden. “Het laten lijden van dieren moet een grens kennen.”

Toen in februari vorig jaar de klassieke varkenspest uitbrak en de stedeling via de televisie een blik werd gegund in de hokken waar de dieren bivakkeerden werd pas duidelijk wat voor soort industrie dat is. “We zijn daardoor niet alleen economisch en sociaal geschokt, ook ons geweten is danig op de proef gesteld”, zegt prof.dr. P.R. Wiepkema, oud-hoogleraar ethologie aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen. Maar de landbouwsector lijkt weinig te hebben geleerd van de ramp.

Door de epidemie onder de varkens en de maatregelen die erop volgden, daalde de varkenspopulatie in het voorjaar van 1997 van 15 miljoen tot 11,4 miljoen. Intussen raken de hokken weer voller en voller. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde eind vorige maand dat het aantal in april alweer tot 13,3 miljoen was gestegen, een half miljoen meer dan was geraamd. In Zeeland ligt het aantal varkens ondanks uitvoerige protesten inmiddels 66 procent hoger dan voor de uitbraak.

Wat Wiepkema echter zorgen baart, is dat ook in de pluimveesector met vuur wordt gespeeld. Uit hetzelfde onderzoek van het CBS blijkt namelijk dat het aantal vleeskuikens in april met 3 miljoen is gestegen ten opzichte van vorig jaar, tot een recordhoogte van 48 miljoen. Meer dan de helft van die toename vond plaats in Noord-Brabant. Het CBS stelt dat het niet onwaarschijnlijk is dat een aantal varkenshouders na de pestuitbraak is omgeschakeld en nu vleeskuikens houdt. In de eerste vijf maanden van dit jaar werd voor een recordbedrag - 28 miljoen gulden - aan bouwvergunningen voor vleeskuikenhokken verleend. In 1996 ging het nog om 1 miljoen gulden. “Gezien deze cijfers is het niet waarschijnlijk dat het aantal vleeskuikens binnenkort zal afnemen. Nederland telt op dit moment 98 miljoen kippen, ruim vijf procent meer dan vorig jaar”, aldus het CBS.

Die explosieve toename staat haaks op de eisen van de overheid. Het regeerakkoord geeft de pluimveesector tot 1 januari 2000 de tijd om afspraken te maken over zaken als mestverwerking en nieuwe criteria voor het welzijn van kippen en kuikens. Bij de Europese Commissie ligt een 'Voorstel voor een richtlijn van de Raad', die voorziet in een verruiming van de kooinormen voor legkippen van 450 naar 800 vierkante centimeter.

De intensiteit waarmee varkens worden gehouden is vergelijkbaar met die van de pluimvee-industrie, meent Wiepkema. Beide hebben te maken met 'Rotterdam'. De import van goedkoop bulkvoedsel heeft het de voorbije decennia economisch aantrekkelijk gemaakt grote aantallen varkens en kippen op relatief kleine stukjes grond te houden.

“Een gevolg daarvan is dat op die kleine oppervlakten grote hoeveelheden voer zijn geïnvesteerd, die vervolgens zoveel mest hebben opgeleverd dat niemand er raad mee weet. Landbouwgrond heeft mest nodig, maar de niet-grondgebonden pluimveesector levert jaarlijks 2,5 megaton mest op die niet kan worden gebruikt en dus uitsluitend vervuilend is. Daar helpt geen mestfabriek aan. De enige oplossing voor dat probleem is een forse inkrimping van de pluimveestapel.”

Als het van zo'n inkrimping komt, moeten er meteen forse maatregelen worden genomen die het welzijn van de dieren verbeteren, meent Wiepkema. “De dieren worden veelal op een volstrekt onaanvaardbare manier gehouden.”

Als etholoog heeft Wiepkema jarenlang het gedrag van dieren bestudeerd. “Van oudsher hebben we, de ethologen, afgezien van wat er in het brein van die beesten gebeurt. Wij vonden wat dierspsychologen deden, die voor alles een psychologische verklaring hadden, te pretentieus. Het begrip emotie bij een dier was voor ons taboe. Maar daar komen we van terug. Aan het feit dat een hond kwispelt als hij een bak voer krijgt kun je nu eenmaal niet voorbijgaan. Kwispelen is geen noodzaak bij het eten, dus er is bij zo'n hond meer aan de hand. Hij waardeert wat je doet. Hij voelt zich duidelijk gelukkig. Dat is een uitingsvorm die je niet mag verwaarlozen. Het is als het ware de franje van zijn gedrag.”

“Zoiets heb je bij kippen ook. Als ze een ei hebben gelegd kakelen ze. Dan hebben ze het naar hun zin. Maar als je ze iets onthoudt waar ze naar uitzien, gaan kippen 'gakelen'. Dat klinkt zeurderig, somber en het is een uiting van hun teleurstelling. Volgens de Duitse onderzoeker Fölsch wordt er veel gegakeld in legbatterijen. Als je geen oog voor hebt voor zulke emotionele uitingen van dieren, heeft het weinig zin om over hun welzijn te praten.”

“Je kunt dieren ergens plezier aan laten hebben en je kunt ze laten lijden”, zegt Wiepkema. “Ik ben absoluut niet van mening dat dieren in de houderij het in alle opzichten naar hun zin kunnen of moeten hebben. Zo zit hun en ons leven niet in elkaar. Maar ik vind wel dat het laten lijden van dieren een grens moet kennen, zoals dat ook is verankerd in de Dierenwelzijnswet. Ook bij dierproeven wordt een afweging gemaakt tussen het belang van datgene wat je er mee beoogt en het leed dat je een dier erdoor aandoet. Die grens is absoluut zoek in de pluimveehouderij. Enige jaren geleden deden zich in de leghennenhouderij gevallen voor waarbij in een batterijkooi niet vier maar vijf hennen werden geplaatst. Dit teveel leverde een extra verlies aan dieren op. Er gingen er meer dood. Dit verlies werd echter voldoende gecompenseerd door de in die tijd voldoende hoge eierprijs. Een dergelijke, puur economische afweging vind ik onaanvaardbaar.”

In de varkenshouderij is het verhoudingsgewijs simpel om te zien of een varken lijdt, meent Wiepkema. “Een zeug die maandenlang aangebonden staat, gaat in de stang voor haar neus bijten. Je ziet haar gedrag vertonen dat zij voortdurend herhaalt, echte stereotypieën. Gebleken is dat het dier daarbij endorfine in zijn hersenen vrijmaakt - een morfine-achtige stof - waarmee het zijn lijden kennelijk draaglijker maakt. Zou je een wild zwijn zo aanbinden, dan is hij binnen de kortste keren dood.”

“Anders dan bij varkens is het bij kippen moeilijk om vast te stellen wat zich precies in hun hoofd afspeelt. Dat komt ook al omdat je met een kip veel moeilijker een band krijgt dan met een varken. Probeer een kuiken in een gemeenschap van tienduizenden ook maar eens te volgen. Je ziet één grote witte zee van veren.”

“Dieren”, zegt Wiepkema, “hebben niet alleen gebruikswaarde, maar ook een intrinsieke waarde, een eigenwaarde die je moet respecteren. Dat is een subjectief gegeven, maar er zijn aanslagen op die eigenwaarde waarover naar mijn mening weinig twijfel kan bestaan. Een vleeskuikentje bijvoorbeeld van vijftig gram groeit in zes weken tijd uit tot een slachtrijpe kip van ruim twee kilo. Dat is een groeisnelheid die voor een calculerende boer natuurlijk heel interessant is. Het fokbedrijf waar die pluimveehouder zijn vleeskuikens van betrekt heeft zodanig rassen geselecteerd en gekruist dat je een kuiken krijgt dat in de kortste keren aan het gewenste gewicht is. Dat dit voor dat kuiken een ramp is, doet er dan weinig toe. Die groei is volstrekt eenzijdig en dus onnatuurlijk. De vleesmassa ontstaat weliswaar in enkele weken, maar de groei van bijvoorbeeld het hart houdt dat niet bij. Zulke dieren sterven dan ook vaak door een falend hart. In de sector worden dat eufemistisch 'doodgroeiers' genoemd. Vleeskuikens zijn goedbeschouwd invalide dieren met een ontregeld verzadigingsmechanisme. Dat alles tot heil van onze economie. Dat kan in een beschaafd land niet door de beugel. Naar mijn mening moeten fokbedrijven een weg terugvinden naar een veel natuurlijker kip.”

'Daarbij komt dat het voedsel voor die vleeskuikens zo 'doordacht' is dat ze precies genoeg calorieën krijgen in een hapklare vorm, die fnuikend kan zijn voor het maag-darmkanaal. Net zoals het voor ons gezonder is een bruine, vezelrijke boterham te eten, heeft een kip voedsel nodig dat die organen in goede conditie houdt. Deze 'snelgroeiers met ideale voerconversie' zijn heel vatbaar voor allerlei ziekten. Maar daar is iets op gevonden. Je geeft ze op voorhand antibiotica in het voer, zodat een infectie in de kiem wordt gesmoord. Die antibiotica leiden er toe dat steeds meer bacteriestammen resistentie ontwikkelen tegen deze middelen, wat weer voor problemen zorgt bij het bestrijden van infecties bij de mens bijvoorbeeld. In Zweden is een dergelijk gebruik van antibiotica verboden en je ziet daar dat de kippen een uitstekend immuunsysteem ontwikkelen.''

“Die extreme groeisnelheid is niet alleen een probleem voor die vleeskuikens, maar vooral ook voor hun ouders. De ouderdieren moeten eerst het stadium van volwassenheid bereiken om voor eieren te kunnen zorgen, waaruit de vleeskuikens komen. Om echter te voorkomen dat die hanen en hennen volkomen uit hun voegen groeien worden ze op een streng rantsoen gezet. Deze dieren worden letterlijk langdurig verhongerd. De Britse onderzoeker Savory van het Roslin Institute bij Edinburgh beschrijft bij deze hongerende dieren ook stereotypieën, zoals je die bij aangebonden zeugen ziet. Ze lijden.”

Wiepkema vindt ook dat kippen de ruimte moeten hebben om op te vliegen of op stok te gaan en daar te rusten. Door die bewegingsvrijheid worden hun botten sterk. In de huidige situatie hebben de dieren een zwak gestel, wat tot gevolg heeft dat ze op transport naar het slachthuis nog eens hun poten breken. “Botbreuk op hun laatste reis is een ernstig probleem en volstrekt onaanvaardbaar.”

“Een ander probleem hangt samen met het 'veren pikken'. Dit fenomeen komt in een gewoon kippenhok niet voor. Bij grote bedrijven, waar tienduizenden kippen bij elkaar zitten wel, en daar worden de snavels gekapt. Ook bij 'biologische' pluimveehouderijen zie je het probleem. We weten niet hoe het ontstaat en dus ook niet hoe je het kunt voorkomen. Het zou kunnen zijn dat kuikens in een normaal milieu van de kloek leren waarop je pikt om voer te krijgen, iets dat ze in de enorme verzameling van opgroeiende kuikens eenvoudig niet kunnen leren. Zou dat het geval zijn, dan kun je gaan denken aan een oplossing voor dat probleem. In de tussentijd is dat snavel kappen, of liever: wegbranden, nog noodzakelijk.”

“Gentle van het Roslin Institute heeft aangetoond dat het 'snavel kappen' bepaald iets anders is dan nagels knippen. In nagels zit geen gevoel. De snavel van een kip is een heel gevoelig orgaan, waarmee ze zorgvuldig voedsel uitzoekt en verzamelt. Tot ver in de snavel zitten zintuigen. Als je die snavel op een ruwe manier wegbrandt, krijgt zo'n dier fantoompijnen, een pijn die mensen na een amputatie voelen. De onderarm is bijvoorbeeld weg, maar ze voelen nog duidelijke pijn in de vingers die er ooit zaten. Zolang er geen methode is om dat veren pikken te voorkomen zul je moeten leven met het snavel kappen, maar ik vind wel dat er strenge zorgvuldigheidseisen moeten komen voor de manier waarop dat gebeurt en hoe ver dat mag gaan. Daar moet een goede technische oplossing voor te bedenken zijn.” Ook vindt Wiepkema dat kippen in de pluimveehouderij gelegenheid moeten krijgen tot het zogenoemde 'stofbaden'. “Dat doen ze eens in de zoveel tijd om hun verenpak te ontvetten en in een goede conditie te houden. Als ze daartoe een tijd niet de gelegenheid krijgen - en dat kan in de natuur ook bij aanhoudende regen - zie je ze het bij de eerste de beste gelegenheid die ze krijgen langduriger en intensiever doen. Dat wijst erop dat ze daar een sterke behoefte aan hebben. Het is bepaald geen luxe voor het dier, het heeft de behoefte zijn integument, zijn huidbekleding, in orde te houden. Dat hebben ze dus ook echt nodig.”

Wiepkema zegt dat het een goede zaak zou zijn als de sector eens op een rij zou zetten wat de wezenlijke eigenschappen en behoeften zijn van de dieren die ze houden. “Dat kun je doen bij koeien, varkens, nertsen, vossen, pluimvee, noem maar op. Ik heb zo'n lijst van criteria voor de nertsenhouderij gemaakt en gezegd: als je aan die en die criteria voldoet kan het. Dat gebeurt nu. Bij vossen ben ik tot de slotsom gekomen dat je die niet kunt houden zonder de houderij drastisch te veranderen. Maar bij pluimvee kan het ook. Kippen moeten minimaal de gelegenheid hebben om naar voer te scharrelen. Ze moeten een nest kunnen gebruiken voor het leggen van een ei.”

“Verder hebben ze recht op genoeg ruimte om elkaar te kunnen ontvluchten en op stok te gaan. Ze moeten ook een stofbad kunnen nemen. Als je aan die voorwaarden voldoet kun je er per bedrijf echter moeilijk de aantallen hennen op nahouden die nu gebruikelijk zijn. Er moet ook een lijstje komen van economische voorwaarden, want bedrijven moeten vanzelfsprekend kunnen blijven renderen. Bovendien moet de veearts vanuit zijn discipline een aantal criteria stellen. Als je tussen die drie een behoorlijk compromis vindt is een sterke verbetering van de pluimveesector mogelijk. Ik ben er van overtuigd dat bijvoorbeeld de slachtkuikenhouderij, die grondig gerepareerd dient te worden, daar ook hard aan werkt, maar enige druk van buiten is hoogst noodzakelijk.”