De globalisering van de angst

Beleggers zijn het gezien de wereldwijde paniekstemming op de financiële markten slechts over één ding eens: risico's zijn er om gemeden te worden.

AMSTERDAM, 1 SEPT. 570 miljard Big Macs, 80 miljoen Ford Taurussen - de Amerikaanse media kwamen gisteren vergelijkingen tekort om het publiek duidelijk te maken hoeveel aandelen op Wall Street in één dag aan waarde zijn kwijtgeraakt. Kwantitatief is er veel te vertellen over de koersdalingen die de maand augustus tot een van de slechtste uit de recente beursgeschiedenis hebben gemaakt, maar bij de verklaring waarom de koersen dalen kwam de beurswereld gisteren niet veel verder dan de crisis in Rusland, gisteren gelardeerd met een Noordkoreaanse lancering van een nieuwe lange-afstandsraket in de Japanse Zee. De top tussen de verlamde Russische president Jeltsin en de beschadigde Amerikaanse president Clinton, die vandaag begint, wijst de belegger op een 'globale leiderschapscrisis' in de wereld. En ergens diep in Afghanistan werkt de godsdienstwaanzinnige zoon van een Saoedische sjeik aan een nieuwe bomaanslag.

Vertrouwen, of liever het gebrek daaraan, stuurt de koersen en die koersen gaan nu naar beneden. De supermarkt-economie voert de boventoon: je weet van tevoren het gerecht, en koopt alleen de ingrediënten die er in thuishoren. Veel analisten lopen nu met hun karretjes langs de schappen van de internationale economie, en pakken enkel de argumenten die hun boodschap ondersteunen. Die boodschap is op dit moment niet best, en de ingrediënten dus ook niet. Zo kan elk incident boven zichzelf uitgroeien: Rusland bijvoorbeeld kan de internationale economie moeilijk schaden. Nog geen procent van de Westerse export gaat erheen: het goeddeels wegvallen van die export zou hier de economische groei met zo'n 0,05 procentpunt drukken.

Toch is Rusland nu al ruim een week de schrikgodin van de financiële markten. Dat het die rol kan spelen past in de gevoelsomslag die zich in augustus op deWesterse financiële markten heeft voltrokken. Het beursklimaat was gebaseerd op een ideaal scenario voor de Amerikaanse - en recenter ook de Europese - economie: lage inflatie, hoge economische groei en een mild renteklimaat. Bestendige productiviteitsstijgingen zouden er zorg voor dragen dat iedereen welvarender werd, zonder dat er kans op oververhitting was. Dit Goudlokje-scenario (niet te koud, niet te warm, maar precies goed) is drie jaar lang het fundament geweest onder de koersstijgingen op de effectenbeurzen in de VS, en in Europa. Wie er op vertrouwt dat de winstgroei tot in lengte van jaren ononderbroken doorgaat is bereid om die winstgroei steeds meer te verdisconteren in de aandelen waarover die winst wordt uitgekeerd. De equity risk premium - het inherente risico dat de belegger in aandelen denkt te lopen boven inflatievrije obligaties, zakte tot het laagste peil sinds de jaren zestig.

De vertrouwensomslag heeft dat veranderd. Risico's zijn er nu om gemeden te worden is de boodschap, en de ingrediënten zijn snel gevonden: de vlucht uit de voormalige opkomende markten in Azië (en Rusland) is evident. Maar ook het renteverschil tussen Latijns-Amerikaanse dollarobligaties en Amerikaanse obligaties is opgelopen tot zijn hoogste punt sinds de peso-crisis in 1995, en hetzelfde geldt voor Oost-Europa. Ook binnen Europa en de VS verwijdt het renteverschil tussen veilige staatsobligaties en tot voor kort onverdachte Westerse bedrijfsobligaties. Bankaandelen zijn de laatste maand wereldwijd ruim 8 procent sneller gedaald dan de beursindex. De vertrouwenscrisis gaat zelfs op voor Westerse landen onderling. Franse obligaties zijn veilig, maar Duitse nog veel veiliger. En dus is het Frans-Duitse renteverschil - nogal in tegenspraak met het vooruitzicht van de Economische en Monetaire Unie over minder dan vier maanden - opgelopen tot 0,15 procent in Frans nadeel. De laatste keer dat dit plaatsvond was tijdens de laatste oprispingen van EMU-angst in begin 1996. Vraag naar Duitse marken heeft zelfs de guldenkoers marginaal verzwakt tegenover de mark, naar niveaus van tijdens de Europese valutacrisis van 1992. Afgelopen vrijdag gingen er in Madrid geruchten over interventies in de koers van de peseta, een verschijnsel dat Europa sinds de EMU-beslissing in mei achter zich dacht te hebben gelaten. In zo'n klimaat gaan de risicopremies op aandelen vanzelf omhoog - en de koersen omlaag.

Een vertrouwenscrisis voedt zichzelf. Dat gevaar lopen niet alleen Westerse landen, waar de beurzen dalen, het vertrouwen van consumenten en producenten afneemt en waar het negatieve sentiment kan doorspijpelen naar de werkelijke economie en zichzelf zo waar maakt. De Amerikaanse bank J.P. Morgan hanteert een event risk indicator, die per land aangeeft wat de gevaren zijn van het overslaan van de internationale financiële crisis. Door de omslag naar risicomijdend beleggersgedrag zitten alle belangrijke economieën in Oost-Europa, en in Latijns-Amerika volgens de jongste berekening in de gevarenzone - ook al geven de economische fundamenten daar in veel gevallen weinig reden toe. Dat gebeurtenissen in Korea, Afghanistan, Moskou en Washington de vertrouwenscrisis voeden die geen landsgrenzen meer kent is nauwelijks verwonderlijk: samen met al het andere is ook de angst geglobaliseerd.