De banenmotor

GOED NIEUWS UIT de machinekamer van de Nederlandse sociaal-economie. De werkloosheid is deze zomer gezakt naar het laagste niveau sinds 1981, het jaar van de Hollandse ziekte. In absolute aantallen heeft ze de grootste daling van deze eeuw doorgemaakt. Nog beter nieuws is dat het aantal mensen afhankelijk van een bijstandsuitkering vorig jaar met tien procent is gedaald. Vooral het aantal jongeren in de bijstand neemt af. Tot nu toe gingen gunstige werkgelegenheidscijfers en een statische omvang van het aantal burgers afhankelijk van een uitkering hand in hand. Als de daling van het aantal bijstandstrekkers doorzet, begint de banengroei eindelijk te knabbelen aan het uitkeringenbestand. Dat zou een doorbraak in het 'poldermodel' betekenen.

Het Nederlandse sociaal-economische model heeft het afgelopen jaar de nodige internationale aandacht getrokken. Met de combinatie van overleg tussen de sociale partners, matiging van de loonstijgingen, herziening van de arrangementen van de sociale zekerheid en beheerste flexibilisering van de arbeidsmarkt steekt Nederland gunstig af bij de buurlanden. Met als aantrekkelijk resultaat dat de werkgelegenheid spectaculair groeit, zonder dat de grondslagen van het sociale zekerheidsstelsel zijn aangetast. OF IS DIT de zwakke plek van het poldermodel? Ondanks de banengroei vermindert het beroep op de sociale zekerheid slechts marginaal. Nieuwe banen gaan naar schoolverlaters en (her)intredende vrouwen. De jeugdwerkloosheid is nagenoeg opgelost. Maar het aantal arbeidsongeschikten, dat na de ingreep van het derde kabinet-Lubbers daalde, is weer aan het stijgen. Zonder dat het politieke aandacht trekt, bevindt het zich nu boven het niveau van 1990. Ook het aantal mensen met een WW-uitkering is nu hoger dan in 1990, vooral omdat de groeiende groep WW'ers boven 57,5 jaar niet meer hoeft te solliciteren. Kennelijk hapert er iets in de banenmotor van het poldermodel.

De directeur van de Amsterdamse sociale dienst zei onlangs dat in zijn regio veel mensen met een uitkering niet in aanmerking wensen te komen voor de reguliere arbeidsmarkt. Ze hebben buiten het officiële circuit voldoende bronnen van inkomsten en korting op hun uitkering is geen financiële prikkel om een baan te accepteren. In Amsterdam doet zich het bizarre verschijnsel voor dat de trams door personeelsgebrek niet kunnen rijden terwijl de werkloosheid in de hoofdstad groot is.

Verschillende knelpunten doen zich tegelijkertijd voor. Aan de ene kant is er toenemende krapte op de arbeidsmarkt voor vaklieden en geschoolden. Aan de andere kant zijn er de 'onbemiddelbaren'. Leeftijd, gebrekkige opleiding, etniciteit, onvoldoende taalvaardigheid, versleten arbeidservaring - het zijn bekende belemmeringen voor een baan. Er bestaat een groep langdurig werklozen die het geluid van de wekker is vergeten. Dit is de harde, maar omvangrijke kern van 'moeilijke gevallen' voor wie de banenprogramma's van de overheid geen afdoend antwoord bieden en voor wie werkgevers bedanken, ook al zitten deze nog zo omhoog door personeelsgebrek. Daarnaast is er het parallelle circuit dat een wenkend en soms goedbetaald perspectief biedt. DE ARMOEDEVAL is het derde knelpunt. De overstap van een uitkering naar een inkomen uit werk is financieel in veel gevallen niet aantrekkelijk. Ook omdat allerlei subsidies dan wegvallen, gaan mensen er soms netto flink op achteruit. De huidige hoogconjunctuur moet worden aangegrepen om deze en andere onevenwichtigheden in de arbeidsmarkt aan te pakken. Betere afstemming van sociale diensten en arbeidsbureaus in één gemeentelijk loket is een organisatorische mogelijkheid. Een ander element kan de beperking van de uitkeringsduur en vergroting van het verschil tussen uitkeringen en arbeidsinkomen zijn. Misschien zijn ook de geldende leeftijdsgrenzen te herzien, zeker gezien het feit dat nu de na-oorlogse geboortegolf over afzienbare tijd de horde van 57,5 jaar begint te bereiken.

De banengroei moet niet de tekortkomingen in de aansluiting tussen sociale zekerheid en arbeidsmarkt uit het oog doen verliezen. Integendeel. De bloeiende economie, met de bijbehorende uitbundige vraag naar arbeid, maakt dit bij uitstek een moment om verdere hervormingen door te voeren.