Thomas Tallis en Hildegard zouden zich erg verbazen

Festival Oude Muziek. Gehoord op diverse plaatsen in Utrecht.

Wat zou Thomas Tallis (circa 1505-1585) hebben gevonden van het concert dat het koor The Sixteen wijdde aan Tallis' Missa Puernatus? Onder de titel 'De bloeitijd van de geest, muziek aan het Engels-Spaanse hof' was het een boeiend en vooral leerzaam onderdeel van het thema 'Het Spanje van Philips II'. Ongetwijfeld had Tallis zijn bedenkingen geuit: “Wat moet ik, 'The Father of Cathedral Music' in een wufte concertzaal? Bovendien is het werk voor Kerstmis bedoeld, het Christuskind verwijst naar de blijde verwachting van Queen Mary, kan ik het helpen dat zij schijnzwanger bleek? Bovendien, wat moet een motet van John Sheppard tussen mijn Gloria en Sanctus? The best songe in England schreeuwen ze, wat mij betreft geheel ten onrechte bij zijn muziek.”

Allemaal waar, en misschien moet je een onvolledig overgeleverde mis ook liever niet uitvoeren. Maar dan hadden we dat schrijnend mystieke Agnus Dei moeten missen, en dat alleen al was een gang naar het festival waard. Tallis doet de muziek stollen, alsof de smeekbede 'geef ons vrede', actueel in een tijd van heftige godsdienstoorlogen, zich heeft vastgezogen aan de langgerekte noten. Tallis smeekt niet, hij tracht in een soort van trance-muziek een vrede af te dwingen.

In de klassiek-romantische traditie werkt de concertpraktijk als een zeef. De pre-klassieke muziek komt te weinig aan bod om definitief een genie van een braverik te onderscheiden. Een vergelijking op één concert met muziek uit dezelfde tijd kan dan uitkomst bieden, zoals het genie Tallis versus de goedwillende Sheppard, wiens motet Libera nos zowel naïef is als fascinerend, op de manier zoals we dat zo goed kennen van Arvo Pärts' muziek uit onze tijd.

Tallis' kritiek op Sheppard is gemakkelijk te raden: “Hij schrijft te veel tekst in een kort tijdsbestek en alleen al daardoor mist hij de kans om in zijn veel te drukke muziek diepte aan te brengen.”

Toch word je nog wel eens op het verkeerde been gezet. De geniale Tomás Luis de Victoria bijvoorbeeld toont zich juist in de missen een uitgesproken braverik. Pas in de motetten boeit hij in de typisch Spaanse mengeling van sensualiteit en diep gevoelde mystieke passie. Het koor The Sixteen (gezien de bezetting beter: The Eighteen) weet hoe je spanning moet vasthouden door naar een slot toe te werken, waardoor een on-Engelse exaltatie kan ontstaan. Toch hoor je nog te veel een koor, luister je nog te veel naar stemmen, naar prachtige zang.

Bij het klein bezette Gothic Voices, geheel op zijn plaats in de stoere Pieterskerk met zijn machtige pilaren van rode zandsteen, vergeet je de stem, luister je naar karaktervolle middeleeuwse muziek. De eerste, meteen onderscheiden plaat van het ensemble van Christopher Page was gewijd aan het werk van Hildegard von Bingen, nog zo'n enigszins trendy thema van het festival. Toch vind ik Gothic Voices beter op dreef in latere muziek zoals van Machaut. De meerstemmige werken in het overigens slechts ten dele aan de abdis gewijd programma sprongen er dan ook uit. In de eenstemmige zang hoor ik te veel eerbied, en te weinig improvisatie.

En wat had Hildegard ervan gevonden? Een heikele kwestie! Want nergens blijkt dat zij een gedegen muziekopleiding genoot. Bij de bronvermelding behoorde dan ook te staan: toegeschreven aan Hildegard von Bingen.

Zingt Gothic Voices quasi instrumentaal, puur en helder, Jordi Savall kan zijn gamba laten klinken als een basbariton. Hespèrion XX, Savall's ensemble mocht natuurlijk niet ontbreken bij een thema als 'Het Spanje van Philips II'. Het sloot aan waar The Sixteen eindigde, met centraal de liederen van José Marin (1618-1699), wufte niemandalletjes maar bijzonder onderhoudend als de zo geheel op de tekst vrij-cabaratesk worden voorgedragen als door Montserrat Figueras, opgezweept door een ritmisch prikkelende instrumentatie. Marin werd gezocht voor roofovervallen en zelfs moorden en Sheppards leven was zo mogelijk nog bizarder, hij legde koorjongetjes aan de ketting.