Monteverdi's madrigalen moeilijk te ensceneren

Holland Festival Oude Muziek: Combattimenti door de Nationale Reisopera. Cantus Cölln o.l.v. Konrad Junghänel. Regie: Geoffrey Layton. Gezien: 29/8, Stadsschouwburg Utrecht. Herhalingen: 31/8 en 1/9. Reprises in januari en februari 1999.

Plato wist het al, schreef Claudio Monteverdi in het voorwoord van zijn achtste madrigaalbundel Guerrieri ed amorosi. In muziek dien je harmonieën te gebruiken die de woorden en de stembuiging van een dappere vechtjas zo goed mogelijk nabootsen. In zijn madrigalen richtte Monteverdi zich dan ook eerst en vooral naar de betekenis en de emotie van de tekst. Eerst kwam het woord voor Monteverdi, dan pas de harmonie. Maar die luistert dan ook nauw, zit vol van uiterst subtiele vocale schakeringen en expressieve nuanceringen.

Daar gaat het eigenlijk al mis bij Cantus Cölln, het gezelschap van luitist Konrad Junghänel dat de muzikale component levert van de nieuwe productie van de Nationale Reisopera, Combattimenti: madrigali guerrieri ed amorosi. Zaterdag ging de voorstelling tijdens het Holland Festival Oude Muziek in de Utrechtse Stadsschouwburg in première; vandaag en morgen zijn herhalingen te zien. Komende zondag is de Reisopera in dezelfde schouwburg alweer present in een nieuwe productie van Mozarts Don Giovanni.

In Combattimenti wordt anderhalf uur lang pas op de plaats gemaakt, met trage, zelfs slepende tempi. De elf thematisch kunstig aaneengeregen madrigalen, waaronder bekende stukken als Bel pastor, Lamento d'Arianna en het slotduet uit de opera L'Incoronazione di Poppea vormen een vage verhaallijn vol affectie en afstoting, liefdesverlangen en doodsdrift. Dat de madrigalen verschillende emoties uitdrukken komt echter nauwelijks over. Dat de madrigalen afkomstig zijn uit verschillende bundels, dus in zekere zin ook uit verschillende stijlperioden van Monteverdi, hoor je slechts doordat het ene madrigaal meer homofoon van aard is, het ander meer polyfoon.

Het is de vraag of Monteverdi's madrigalen zich lenen voor een scènische vormgeving. De inhoud visueel verdubbelen zoals de Engelse regisseur Geoffrey Layton doet door de 'handeling' toneelmatig vrijwel op de voet te volgen, getuigt van een weinig intelligente of op zijn minst weinig creatieve aanpak. En hoezeer de aaneenschakeling van madrigalen in Combattimeni ook getuigenis aflegt van een grondige kennis van het oeuvre van Monteverdi, het met vogelgeluiden of met harde lassen aan elkaar plakken van madrigalen zonder muzikaal verband levert zeker geen dramatische spanningsboog op.

Slechts van één madrigaal staat de scènische potentie vast: Il combattimento di Tancredi e Clorinda, met daarin het muzikaal gestileerde gevecht tussen de beide titelhelden. De Nederlandse Opera bracht dit madrigaal in 1993 al eens in een geslaagde enscenering van Pierre Audi. Ook bij de Reisopera was Il combattimento het meest vitale moment van de voorstelling, met Wilfried Jochens als de overtuigende verteller. Op zichzelf is met de vocale kwaliteiten van de solisten als Johannette Zomer, Johanna Koslowsky of Gerd Türk niets mis. Maar de esthetiserende agogiek van muzikaal leider Junghänel maakt de madrigalen van Combattimenti doodsaai en brengt alle dramatische nuances om zeep.