Krappe markt ziet werklozen niet

Het hoogtepunt van de Nederlandse economie ligt achter ons, meent premier Kok. Wie nu op een krap deel van de arbeidsmarkt werkt, is veilig. Maar zo'n 180.000 langdurig werklozen hebben nu voorgoed de boot gemist.

DEN HAAG, 31 AUG. “Het is de markt, hè”, zegt Frans Kamp (43). “De vraag naar financiële mensen is groot en het aanbod is klein.” Hoe groter dat verschil, hoe meer hij verdient. Kamp is gemiddeld elke zeven maanden voor een ander bedrijf hoofd financiële administratie. Terwijl hij zich het hoofd breekt over het tarief dat hij nu weer eens in rekening zal brengen, ziet de langdurig werkloze zijn afstand tot mensen als Kamp alleen maar groeien. “Mijn vrouw en ik dachten: 'Och werkloos, dat stelt niks voor. Gauw weer ander werk pakken en klaar.' Maar dat is niet gelukt.”

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldt record na record als het om werkgelegenheid gaat. Spraken de statistici uit Voorburg enkele maanden geleden nog over “de laagste werkloosheid sinds 1981”, deze maand noemde het CBS de daling van de werkloosheid van de afgelopen twaalf maanden alweer “de grootste daling van de eeuw”.

Niet alleen daalt de werkloosheid met grote sprongen, aan de andere kant neemt het aantal vacatures met dezelfde snelheid toe. Trek die vraag- en aanbodlijnen door en daar waar ze elkaar kruisen is het ideaal van volledige werkgelegenheid bereikt. Dan heeft iedereen een baan. Of niet?

“Kijk”, zegt een door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzochte langdurig werkloze, “als je lang werkloos bent, word je moeilijker aangenomen. Als je werkt, is er geen probleem om ander werk te vinden. Als je lange tijd niet werkt, is het veel moeilijker.” Bovendien: “Als je een half jaar thuis zit, is de motivatie om aan de slag te komen groter dan wanneer je al drie jaar thuis bent.”

Kennelijk zullen vraag en aanbod van arbeid elkaar niet automatisch ontmoeten, en het gevolg is dan werkloosheid. Het CBS houdt het er op dat er 285.000 werklozen zijn. Dat zijn de mensen die direct beschikbaar zijn voor een baan van meer dan twaalf uur. Het is een kwestie van definitie. De OESO bijvoorbeeld, de samenwerkingsorganisatie van geïndustrialiseerde landen, gooit WAO'ers, mensen met een Melkert-baan en alle WW'ers, en ook degenen die niet meer hoeven te solliciteren, op één hoop en komt aldus op bijna 2,5 miljoen werkloze Nederlanders, een kwart van de beroepsbevolking.

Tussen OESO en CBS zitten de arbeidsbureaus die in totaal bijna een miljoen mensen in hun bestanden hebben en het Centraal Planbureau dat rekent met de 365.000 mensen die niet of minder dan twaalf uur werken en actief op zoek zijn naar een baan van twaalf uur of meer.

Deze benadering is favoriet bij senior-onderzoeker J.P. Vosse van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA). Vosse: “Over de helft van die 365.000 moeten we ons ernstige zorgen maken”, zo meent hij. Dat zijn de 180.000 werklozen die het ondanks de afgelopen hoogconjunctuur niet hebben gered. Zij hebben de boot gemist en blijven waarschijnlijk tot hun pensioen werkloos. “Zeker is dat [...] er eerder tegenvallende berichten dan meevallende berichten te verwachten zijn voor de groei van de Nederlandse economie de komende tijd”, zei premier Kok afgelopen vrijdag naar aanleiding van de crises in Rusland, Azië en op de internationale beurzen. Ook komt het CBS met lagere groeicijfers.

Onderzoekers van het Nederlands Economisch Instituut (NEI) zien evenmin de zon schijnen voor de langdurig werkloze van vandaag. Volgens het NEI komt uitstroom naar een baan van mensen die één à twee jaar uitkering hebben gehad, vrijwel niet meer voor. En wie ouder is dan 50 jaar, is al verloren na één dag werkloosheid.

Ruim vijftig procent van de werklozen heeft langer dan één jaar een uitkering. Het zijn iets meer mannen dan vrouwen, overwegend ouder dan 35 jaar, vaker allochtoon dan autochtoon en relatief vaak laag opgeleid.

Dit profiel van de langdurig werkloze is precies het tegenovergestelde van dat van de mensen waar werkgevers een schreeuwend tekort aan hebben. Uit cijfers van het CBS blijkt dat voor met name HEAO'ers de banen voor het oprapen liggen in de handel en in de zakelijke en financiële dienstverlening. Werkgevers kunnen voor bijna de helft van de ruim 70.000 vacatures geen mensen vinden.

Van die situatie profiteert Frans Kamp. Een bedrijf dat een financiële man nodig heeft, kan hem inschakelen via bemiddelaar DPA. Zonder ook maar één werkdag te verliezen, wisselt hij van opdrachtgever. De zaken gaan steeds beter. Kamp: “Mijn tarief is nu veel hoger dan pakweg twee jaar geleden.” De werkgever die Kamp wil vasthouden, zal diep in de buidel moeten tasten.

Nog moeilijker komen werkgevers aan middelbaar opgeleid technisch personeel. In de industrie en de bouw waren eind maart van dit jaar 27.000 vacatures die maar voor een derde 'vollopen'. De krapte doet zich vooral gevoelen in het midden- en kleinbedrijf. Ook in de gezondheidszorg gaat het mis, zoals bij de verzorging van zieke, zeer jonge baby's. Door een tekort aan verplegend personeel zijn twintig plaatsen minder beschikbaar op de afdelingen neonatologie. Het personeelstekort is toegenomen sinds het verplegend personeel met ingang van 1 augustus korter is gaan werken.

Kraptes aan de ene en werklozen aan de andere kant; waarom sluiten vraag en aanbod niet op elkaar aan? Het antwoord 'verkeerde opleiding' is te simpel. Want hoewel bijvoorbeeld de grafische sector als een krappe arbeidsmarkt wordt gezien, hebben veel werklozen een grafische opleiding. Hetzelfde geldt voor de sector onderwijs: er is een tekort aan leraren en er zijn werkloze leraren.

Ook een gebrek aan flexibiliteit belemmert het sporen van vraag en aanbod. Een voorbeeld daarvan is de geografische flexibiliteit. De Rotterdamse haven zit te springen om havenwerkers, terwijl die in het noorden van het land werkloos thuis op een baan zitten te wachten. Maar ook aan de andere kant, die van de werkgever, is de vraag om flexibiliteit wel eens groter dan waaraan zijn werknemers kunnen voldoen. Die werknemers hebben al moeite genoeg om zich te plooien naar de employability-mode. Voor iemand die jarenlang niet op de arbeidsmarkt heeft rondgelopen, is het vrijwel ondoenlijk zich alsnog aan te passen.

Dat werken in deeltijd de werkloosheid terugdringt, blijkt tot overmaat van ramp een mythe. Tot die conclusie komen de economen A. Kapteyn, A. Kalwij en A. Zaidi in het economenblad ESB. “Een toename in het aantal deeltijdwerkers leidt tot een vermindering van het aantal banen in plaats van tot een vermeerdering”, menen zij. Mensen die alleen in deeltijd willen werken, hebben volgens OSA-onderzoeker Vosse niet de eerste voorkeur van werkgevers. “Die hebben wegens een overvolle orderportefeuille geen tijd om mensen in te werken. Hoe meer uren werknemers kunnen maken, hoe beter de werkgever het vindt. Jammer, want een gedeeltelijke baan is natuurlijk altijd beter dan geen baan.”