Dwangarbeiders claimen miljarden

Duitse bedrijven die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeiders gebruikten, zijn uiterst nerveus. Na succesvolle acties tegen Zwitserse banken en tegen verzekeraars, worden zíj geconfronteerd met miljardenclaims.

ROTTERDAM, 31 AUG. “Als u gelooft dat Duitsland de schatkist nog een keer zal openen, dan hebt u het mis.” De uitspraak van een kennelijk geïrriteerde bondskanselier Helmut Kohl vorige week dinsdag op een persconferentie liet niets aan duidelijkheid te wensen over. De Duitse regering zal geen fonds instellen voor voormalige dwangarbeiders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het voorstel voor zo'n fonds was een paar dagen eerder gedaan door grote Duitse bedrijven die de hete adem van Amerikaanse rechtszaken in hun nek voelen. De bedrijven redeneren dat niet zij, maar het toenmalige nazi-bewind verantwoordelijk was voor dwangarbeid. De huidige regering vindt dat Duitsland genoeg heeft gedaan - het land betaalde op basis van het zogeheten Bundesentschädigungsgesetz bijna 80 miljard mark voor slachtoffers van de nazi's, jaarlijks komt daar nog steeds 1,3 miljard mark aan pensioenen bij.

Maar de dwangarbeiders laten niet langer met zich sollen. Ze worden aangemoedigd door het succes van acties tegen Zwitserse banken, die de komende drie jaar 2,5 miljard gulden zullen betalen, en door de toezegging van verzekeraars om eindelijk polissen uit de oorlog uit te keren. Het Italiaanse Generali is alvast met 200 miljoen gulden over de brug gekomen.

Duitse bedrijven worden langzamerhand nerveus. Waarschijnlijk vandaag beginnen in de VS twee class-actions, rechtszaken namens alle dwangarbeiders. De advocaten nemen geen genoegen meer met alleen maar uitbetaling van 'achterstallig' loon, ze eisen ook een vergoeding voor het leed dat hen is aangedaan en een deel van de winst die de bedrijven dank zij de dwangarbeid hebben behaald. Als de dwangarbeiders door de rechter in het gelijk worden gesteld, zou dat bedrijven als Volkswagen, BASF, Siemens, Krupp, BMW en Daimer-Benz bij elkaar wel eens tientallen miljarden kunnen gaan kosten.

De bedrijven hebben zich in het verleden altijd strikt formeel opgesteld. Dwangarbeiders die aanklopten voor een vergoeding kregen te horen dat de bedrijven weliswaar hun medeleven betoonden, maar niet tot uitbetaling konden overgaan, omdat volgens een internationaal verdrag uit 1953 geen Reparationen (compensatie) betaald hoefden te worden tot er een definitief vredesverdrag zou worden gesloten. Zo'n verdrag is er inmiddels: het zogeheten twee-plus-vier verdrag uit 1990, waarin de voormalige geallieerden met de beide Duitslanden de hereniging regelden. Het schrijnende is, dat de Duitse regering echter daarna heeft laten weten de eisen van dwangarbeiders als verjaard te beschouwen. het probleem van de compensatiebetalingen is “vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog niet meer gerechtvaardigd”, heette het in een officiële verklaring. Ook werd erop gewezen dat betaling de concurrentiepositie van de bedrijven wel eens in gevaar zou kunnen brengen en daarmee de werkgelegenheid.

Met dit soort juridische haarkloverij wisten de betrokkenen tot nu toe aan individuele claims te ontkomen. Duitse historici waren het er lange tijd over eens dat de bedrijven zelf niet verantwoordelijk waren voor de dwangarbeid. Bij de processen van Neurenberg werden leidende industriëlen weliswaar tot gevangenisstraffen veroordeeld, maar de rechters hielden er bij de bepaling van de strafmaat rekening mee dat de politiek hen een “dwangarbeidsprogramma” had opgelegd.

Intussen heeft onderzoek in de archieven van sommige bedrijven, voor zover die althans bereid zijn opening van zaken te geven, laten zien dat de industrie verre van afkerig was om dwangarbeiders in te zetten. Otto Dyckhoff, directeur van Volkswagen, stelde in 1941 voor Duitsers alleen nog te gebruiken voor het echte vakwerk, het dommere werk zou dan gedaan kunnen worden door “primitievere mensen uit het Oosten en het Zuiden”. In 1943 spoorde hij medewerkers aan zorgvuldig toezicht te houden op de buitenlanders in het bedrijf, omdat die slechts goed functioneerden als ze “voordurend door Duitse mensen” achter hun vodden werden gezeten.

De Duitse oorlogseconomie was voor een groot deel afhankelijk van de in totaal 7,6 miljoen dwangarbeiders. In de chemie, in de bouw en in de metaalindustrie bestond een derde van de arbeidskrachten uit dwangarbeiders, in de wapenindustrie zelfs ongeveer de helft.

Het regeringsfonds dat nu door de bedrijven wordt voorgesteld, laat zien dat hun positie niet wezenlijk veranderd is. Nog steeds wordt de regering verantwoordelijk gehouden. De bereidheid van de bedrijven om daaraan bij te dragen wordt door sommigen gezien als een verschuiving in hun standpunt. Maar het is de vraag of dat wel zo is. Ook in het verleden hebben bedrijven wel eens de beurs getrokken als de druk te groot werd. Kleine bedragen werden uitbetaald, om erger te voorkomen.

Zo gemakkelijk zullen de bedrijven er deze keer waarschijnlijk niet afkomen. Niet alleen zijn de advocaten hardnekkiger dan in het verleden, de combinatie van een slepende rechtszaak met veel negatieve publiciteit en een dreigende boycot van de betrokken firma's in de VS zou de bedrijven, in navolging van banken en verzekeraars wel eens tot inkeer kunnen brengen.