Weg met de antibiotica; VEEHOUDERS MOETEN AANDACHT KRIJGEN VOOR DE DARMFLORA VAN HUN DIEREN

De Nederlandse veehouders gebruiken jaarlijks ongeveer 250 ton antibiotica als groeibevorderaar. De Gezondheidsraad wil nu een verbod op de middelen. Pathobiologen uit Lelystad zoeken naar alternatieven. 'Als je de darmflora van de dieren maar in de gaten houdt.'

TOT ZO ONGEVEER 1950 hadden de Nederlandse biggen een luizenleventje. Maar liefst twaalf tot veertien weken werden ze door het moedervarken gezoogd. De biggen konden heerlijk lang aan moeders spenen blijven zuigen. Omdat die spenen vaak 'vervuild' waren met uitwerpselen van de zeug kregen de biggen miljarden bacteriën binnen. Gedurende de zoog hadden de jonge dieren alle tijd om een darmflora op te bouwen. De nieuwe darmflora vormde een belangrijke afweer tegen ziekteverwekkers op het vaste voer waar de biggen, naast moedermelk, steeds meer van innamen.

Na 1950 echter ontdekten veel veehouders dat ze flink wat geld op huisvesting, voer en verzorging konden besparen als ze de zeugen vaker lieten werpen. De zoogtijd werd teruggebracht. Eerst tot tien weken. Daarna tot acht of zes weken. Inmiddels zogen de meeste varkens hun biggen nog maar 21 dagen, het wettelijk minimum. De moeder, op dat moment op een topproductie van twaalf liter melk per dag, wordt weggehaald bij de biggen en van de ene op de andere dag krijgen de biggen geen moedermelk meer voorgezet, maar maïs, soja of tapioca.

“En dan beginnen de problemen”, vertellen pathobioloog Marius Nabuurs en immunoloog Ben Bokhout op het DLO-instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) in Lelystad gedreven. “De eerste dagen nadat ze van de moeder zijn gescheiden, eten de biggen niet omdat ze het vaste voer niet kennen. Cellen op het darmoppervlak, enterocyten geheten, sterven af door ondervoeding en daarmee verdwijnen ook de tientallen miljoenen melkzuurbacteriën die zich hieraan hadden vastgehecht.”

Na een paar dagen krijgen de biggen zoveel honger dat ze zich aan de tapioca of soja overeten. Weliswaar herstelt het darmoppervlak zich dan weer snel, maar de voor de darmflora zo gunstige melkzuurbacteriën zijn niet meteen terug. Andere bacteriën, Escherichia coli-stammen, hebben hun plaats op de beschadigde darmwand ingenomen. Hun aantal is fors opgelopen, van zo'n 100 naar maar liefst honderd miljoen E. coli's per milliliter.

Deze E. coli-stammen zijn enerzijds gunstig, want door verandering van de natrium-chloorbalans tussen darminhoud en bloed zorgen ze voor veel water in de darm. Allerlei giftige afbraakproducten, die bij een beschadigd darmoppervlak naar het bloed kunnen lekken, worden zo snel weggespoeld. Anderzijds levert die explosie van E. coli's ook problemen op: de dieren hebben diarree, en het vele vocht in de darm spoelt behalve de gifstoffen ook het voer snel weg, waardoor de biggen minder goed groeien.

Sinds de jaren zestig lossen de veehouders dit soort problemen op door antibiotica aan het veevoer toe te voegen. Deze onderdrukken explosies van E. coli-bacteriën waardoor de dieren minder diarree hebben en ze het voer beter benutten. Volgens een schatting van de Nederlandse Fabrikanten van Voedertoevoegingen (Nefato) gebruiken de Nederlandse veehouders jaarlijks ongeveer 250 ton antibiotica als groeibevorderaars of 'voerbespaarders', zoals de industrie ze graag noemt. Ter vergelijking: de dierenartsen schrijven voor de bestrijding van acute dierziektes jaarlijks zo'n 300 ton antibiotica voor; in de humane geneeskunde wordt jaarlijks zo'n tachtig ton antibiotica gebruikt.

Het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar staat echter al dertig jaar ter discussie. Probleem is dat de enorme hoeveelheid antibiotica die de veehouderij en de humane geneeskunde samen verbruiken, ertoe leiden dat steeds meer bacteriën resistenties ontwikkelen. Was bijvoorbeeld in 1980 nog maar 0,6 procent van de onderzochte Salmonella typhimurium resistent tegen vijf antibiotica, in 1996 bleek dat al 34 procent te zijn. In 1989 was in de VS twee procent van de onderzochte E. coli resistent tegen alle antibiotica, nu al twintig procent. Ook de bekende 'ziekenhuisbacterie' Staphylococcus aureus blijkt steeds vaker resistent tegen bijna alle antibioticum. Alleen vancomycine werkt nog. Maar volgens Scientific American van maart gebeurde onlangs iets waarvoor artsen al jaren vrezen: bij drie patiënten, op drie verschillende plaatsen in de wereld, is een Staphylococcus aureus gevonden waartegen zelfs het antibioticum vancomycine niet goed meer werkt. Gelukkig kon bij alle drie toch nog een ander antibioticum worden ingezet, maar de situatie is zorgwekkend.

Hoewel niemand weet hoevéél het gebruik van antibiotica in het veevoer bijdraagt aan de vorming van resistente ziekteverwekkers bij mensen, is het wel zo goed als zeker dát het bijdraagt. De overdracht van antibioticum-resistente Salmonella van dier naar mens is door verschillende auteurs beschreven. In Engeland constateerde men na introductie van twee nieuwe, aan ciprofloxacine verwante antibiotica in de kippenfokkerij een toegenomen resistentie van darmbacteriën tegen ciprofloxacine. Onderzoekers van de universiteit van Maastricht vonden vorig jaar dat varkenshouders en kalkoenhouders die ciprofloxacine of tetracycline aan het voer toevoegen, substantieel meer ciprofloxacine- en tetracycline-resistente E. coli in hun darm hebben dan stedelingen.

Deze en andere recente vondsten hebben de discussie over antibiotica in diervoeders de afgelopen maanden doen oplaaien. In april nam het Europees Parlement een motie aan om antibiotica als groeibevorderaar in het veevoer te verbieden. De Europese Commissie onderzoekt nu de consequenties en de mogelijke alternatieven. In diezelfde tijd publiceerde een Britse adviescommissie een pleidooi voor terughoudendheid in het gebruik van antibiotica. En deze week maakte ook de Nederlandse Gezondheidsraad zijn standpunt openbaar. De raad wil “een zo spoedig mogelijke beëindiging van het gebruik van de middelen die leiden tot resistentie tegen antibiotica die op dit moment worden toegepast bij de behandeling van patiënten met bacteriële infecties en daaraan verwante antibiotica. Op langere termijn moet het gebruik van alle antimicrobiële middelen als groeibevorderaar in de dierhouderij worden beëindigd. De commissie denkt hier aan een termijn van drie jaar.”

Fabrikanten van voedertoevoegingen wijzen nogal eens op de nadelen van een verbod op antibiotica in het veevoer. “Zonder voerbespaarders”, zei een vertegenwoordiger onlangs in het blad De Boerderij, “produceert de Nederlandse veehouderij 6,5 procent meer stikstof en fosfaat. Bovendien verslechteren groei en voerconversie met vier tot acht procent.” Onderzoek van het ID-DLO toont aan dat zonder antibiotica in het veevoer, zo'n twee tot vier procent meer voer nodig is om hetzelfde gewicht van varkens of kippen te bereiken als met antibiotica. Voor varkenshouders zou een verbod op antibiotica behalve meer mestproductie, ook een kostprijsstijging betekenen van vijf tot tien cent per kilo vlees.

Het is echter maar hoe je het bekijkt. De groeiafname en de toename van mest in het milieu bij een verbod op antibiotica zijn voor een belangrijk deel te wijten aan het vele water in de darmen dat wordt veroorzaakt door plotselinge explosies van E. coli's. Maar hiervan is wellicht geen sprake als de darmflora van de beesten niet wordt verstoord. “Als we vandaag zouden besluiten om het natuurlijk spenen bij biggen weer in te voeren”, stelt Bokhout, “hadden we geen groeibevorderaars meer nodig. Natuurlijk, later spenen kost extra geld voor voer, huisvesting en verzorging. Maar of het uiteindelijk duurder is, dat is nog maar de vraag. Wij zouden graag eens alle kosten van die korte zoogtijd doorrekenen: het antibioticagebruik, de ziektes en sterftes die desondanks bij de biggen optreden, de belasting van de diarree en van de antibiotica voor het milieu.”

“Je hoeft niet terug te gaan naar twaalf weken zogen om de darmflora van biggen gezond te houden”, oppert Nabuurs. “Wellicht kun je volstaan met zeven weken en dat in combinatie met andere maatregelen.” De onderzoekers denken aan het voorkómen van een plotselinge overgang van moedermelk naar de ruwe soja of tapioca. In plaats daarvan zou je de biggen de eerste tijd lekker, goed verteerbaar snoepvoer moeten voorzetten, bijvoorbeeld gedroogd bloedplasma of graan dat bacteriën al hebben voorverteerd. De jonge biggen moeten gestimuleerd worden om hiervan naast moedermelk steeds meer te nemen. Dit voorkomt dat ze een paar dagen niet eten. Om infecties tegen te gaan kan men specifieke antilichamen aan het voer toedienen. Deze antilichamen kunnen afkomstig zijn van genetisch gemanipuleerde micro-organismen, of van melk van koeien waarbij de antilichamen zijn opgewekt. “Je moet niet, zoals tien jaar geleden in Zweden is gebeurd, alle antibiotica verbieden en de sector vervolgens aan zijn lot overlaten”, vindt Bokhout. “Je moet wel alternatieven bieden.”

De veehouders moeten dus de momenten gaan onderkennen waarbij de darmflora wordt verstoord. Nabuurs: “Als de biggen 22 kilo zwaar of tien weken oud zijn gaan ze naar de mesthouderij. Opnieuw een abrupte overgang. De dieren komen in een veewagen, daarna in een vreemde stal met een ander klimaat, ander voer en andere varkens. Vanwege de stress eten ze een dag niet en krijgen ze zogeheten overgangsdiarree.” Weer is de vertering verstoord. Darmcellen sterven af, melkzuurbacteriën verdwijnen en E. coli's grijpen hun kans.

Ook in andere sectoren zijn momenten aan te wijzen waar het mis gaat met de darmflora. Kuikens worden van nature uitgebroed onder een kloek. De antilichamen die de kuikens via het ei van de moeder meekrijgen, zijn precies afgestemd op de bacteriën in het nest van de moeder. In de pluimveehouderij echter worden kuikens met tienduizend tegelijk uitgebroed in een steriele broedmachine. Via het ei hebben deze kuikens wel antilichamen van de moeder gekregen. Maar als de eieren in Maastricht zijn gelegd en uitgebroed, en de kuikens komen daarna op een kippenboerderij in Drenthe terecht, dan hebben ze niet veel aan de meegekregen antilichamen. Nabuurs: “Om de kuikens te voorzien van een darmflora worden ze nu vaak bespoten met gekweekte darmbacteriën. Helaas zijn deze startersflora meestal niet afgestemd op de antilichamen die de kuikens via het ei van de moeder hebben gekregen. Het zou verstandiger zijn een startersflora samen te stellen van bacteriën waarvan je weet dat ze passen bij de antilichamen die de kuikens hebben meegekregen. Dat is lastig, want van de darmflora van kippen weten we nog heel weinig en ook weten we nog helemaal niet hoe groot de variatie is aan antilichamen in eieren. Maar wellicht is er een grootste gemene deler van de Nederlandse kippenflora samen te stellen.”

Een nadeel van antibiotica is dat ze ook goedaardige bacteriën doden. De meeste van de ongeveer 285 beschreven E. coli-stammen zijn goedaardig of zelfs gunstig voor de gezondheid. Als de verschillende E. coli-stammen met elkaar in balans zijn, is de diarree die ze veroorzaken ook vrij onschuldig. Met antibiotica verstoor je de balans. Schadelijke E. coli's, waarvan er zo'n tien tot vijftien bekend zijn, kunnen dan de plaats van goedaardige E. coli's innemen.

“Afgelopen half jaar hebben we onderzoek gedaan bij biggen die het antibioticum colistine kregen, en biggen die het middel niet kregen”, vertelt Nabuurs. “Alle biggen dienden we een gunstige en een schadelijke E. coli-stam toe. Alleen de biggen die ook colistine hadden gekregen, werden van de schadelijke E. coli ziek. De biggen zonder colistine werden niet ziek. Dat is toch een sterke aanwijzing dat antibiotica zelfs negatief kunnen werken op een gezonde darmflora.”

Alternatieven voor antibiotica

De gezondheidsraad en de veevoederfabricanten zien als belangrijk alternatief voor antibiotica de zogeheten probiotica. Veevoederfabrikanten voegen, naast antibiotica, deze steeds vaker zogeheten probiotica aan het veevoer toe. Dat zijn levende bacteriën die van nature in de darm voorkomen en die worden toegevoegd om een gezonde darmflora te stimuleren. Ook zuivelfabrikanten gebruiken probiotica, die ze toevoegen aan yoghurts. In de Nederlandse winkels ligt bijvoorbeeld Yakult, met 6,5 miljard levende Lactobacillus casei Shirota per flesje. Danone verkoopt Danone Aktimel met weer een andere stam van Lactobacillus casei en Mona heeft Mona Fysic met een Lactobacillus acidophilus. De meeste probiotica zijn melkzuurbacteriën. Hiervan krioelen er in een gezonde dikke darm tientallen miljarden; in de dunne darm zijn het er wat minder. Al rond 1900 ontdekte Nobelprijswinnaar Elie Metchnikoff een gunstige eigenschap van melkzuurbacteriën. Ze breken geen eiwitten af maar kleine, voor ons niet verteerbare koolhydraatjes. Daarbij vormen ze verschillende zuren waaronder melkzuur en azijnzuur. Verondersteld wordt dat dit gunstig is, omdat veel schadelijke darmbacteriën in een zuur milieu niet goed groeien.

Van een aantal melkzuurbacteriën zijn er bovendien aanwijzingen dat ze het afweersysteem versterken. Ze zouden bijvoorbeeld de werking van macrofagen, afweercellen die ziekteverwekkers opruimen, stimuleren. De achterliggende mechanismes zijn nog niet opgehelderd. “Die zijn meestal veel complexer dan je denkt”, weet Mike Bosschaert, onderzoekscoördinator bij Yakult. “Wanneer je één Lactobacillus-stam toevoegt, zie je vaak een ecologische verschuiving op meer punten. Clostridia nemen bijvoorbeeld af en bifidobacteriën nemen toe. Maar hoe komt dat dan? Misschien omdat het milieu zuurder wordt. Het kan echter ook zijn dat door de toegediende bacterie een remmer van bifido's wordt afgeremd.” Het onderzoek naar probiotica wordt bemoeilijkt doordat nog lang niet in kaart is gebracht welke bacterie-stammen de darmen van mensen en dieren precies bevatten, welke eigenschappen deze hebben, hoe ze elkaar beconcurreren, of hoe ze juist samenwerken. Er zijn meer dan vierhonderd darmbacteriën bekend, onder te verdelen in zo'n tien families. Alleen al van de lactobacillen en bifidobacteriën (twee belangrijke melkzuurbacteriën) zijn er zo'n honderd soorten beschreven. Maar dit is mogelijk slechts het topje van een ijsberg. Niet iedere darmbacterie laat zich buiten de darm even makkelijk vermeerderen en onderzoeken.

Daarbij is ook de relatie tussen darmbacteriën en de cellen van het darmoppervlak nog grotendeels onopgehelderd. Zo zijn er meer dan twintig hormonen beschreven die de morfologie en functie van darmcellen beïnvloeden en elk jaar worden er weer meer gevonden. Voor darmbacteriën zijn de eigenschappen van darmcellen belangrijk, want hieraan moeten ze zich hechten en hiermee gaan ze ook interacties aan. Fabrikanten voegen ook zogeheten niet-verteerbare koolhydraten (NDO's) aan voedingsmiddelen of veevoer toe. Zo zit in Mona Fysiq behalve een melkzuurbacterie ook inuline, een klein koolhydraatje dat, volgens de folder, de werking van melkzuurbacteriën versterkt. Het idee achter toevoeging van NDO's is dat alleen fermentatieve, zuurvormende darmbacteriën - waaronder melkzuurbacteriën - zulke niet-verteerbare koolhydraatjes kunnen afbreken. Zo zouden zij dus worden bevoordeeld, en dat zou de gezondheid bevorderen. Al een paar jaar zoekt de Landbouwuniversiteit in Wageningen naar bewijzen dat deze niet-verteerbare koolhydraatjes de darmflora, en daarmee de gezondheid bevorderen. Maar de onderzoekers hebben, zowel bij mensen als bij biggen, nog geen effect kunnen aantonen. Dat is jammer, onder meer voor de veevoederindustrie. Want daarmee is nog niet aangetoond dat kleine koolhydraatjes in het veevoer een alternatief kunnen bieden voor antibiotica.