'Voorhoeve wilde rol van Dutchbat nooit ophelderen'

ROTTERDAM, 29 AUG. De top van de Landmacht heeft onmiddellijk na de val van de Bosnische enclave Srebrenica, in de zomer van 1995, minister Voorhoeve (Defensie) geadviseerd volledige openheid van zaken te geven over het optreden van de Nederlandse VN-militairen (Dutchbat). Maar Voorhoeve deed dat niet. Dat zegt de toenmalige bevelhebber van de landstrijdkrachten, luitenant-generaal b.d. H. Couzy, vandaag in deze krant. “Dit zijn zeer valse uitspraken, verbijsterend”, aldus Voorhoeve, die verder niet op de aantijgingen wil ingaan.

Na de val van de door Dutchbat beschermde moslimenclave Srebrenica zijn, naar wordt aangenomen, duizenden moslimburgers door de Serviërs geëxecuteerd. Couzy: “Ik heb Voorhoeve meteen gezegd het hele verhaal te vertellen. Ik zei: we kunnen er beter zélf mee naar buiten komen. Voorhoeve wilde wachten op het debriefingsrapport (het goeddeels geheime verslag van gesprekken met Nederlandse militairen, red.). Toen dat uitkwam, hoopte ik dat hij het hele verhaal zou vertellen. Dat deed hij niet. Dat heeft hij nooit gedaan”, aldus Couzy.

De nieuwe minister van Defensie, F. de Grave, heeft onderzoek ingesteld naar de houding van Defensie bij het ophelderen van wat er tijdens en na de val is gebeurd. Daarnaast is het openbaar ministerie onderzoek begonnen naar het overrijden van moslimmilitairen door een Nederlandse pantserwagen. Couzy heeft ook kritiek op het debriefingsrapport. “Er bleven te veel witte plekken over (...) Het was een onhandige en verkeerde aanpak. Dat zal nog jaren ophef geven in de publieke opinie.” Voorzitter B. Snoep van de Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP) vraagt zich af of Couzy nu “zijn eigen straatje probeert schoon te vegen”. De generaal riep volgens hem destijds dat de Serviërs zich niet schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven en dat de Dutchbatters het keurig hadden gedaan. Oud-chef defensiestaf H. van den Breemen zegt: “Voorhoeve heeft op zijn eigen manier en met grote persoonlijke betrokkenheid geprobeerd alle feiten over Srebrenica boven water te krijgen.”

Couzy gaat ook in op de tijd (vanaf 1980) dat hij Kamervragen moest helpen beantwoorden. “Dat waren dan van die stomme vragen, vonden wij. Parlementariërs waren sukkels die geen verstand hadden van de krijgsmacht. Maar we vonden het ook vervelende vragen, over zaken die we liever niet openbaar maakten. Er werd Kamerleden vaak informatie onthouden, want stafmedewerkers maken natuurlijk een eigen samenvatting van beleidsvoorstellen, je kunt nooit álles melden.”