Taboe op discriminatie

MINDERHEDENBELEID heet nu “investeren in een interculturele samenleving”. Zo wil het nieuwe regeerakkoord het tenminste. Dat laat nog wel een lastige vraag open: hoe bijzonder dient minderhedenbeleid te zijn? Vijftien jaar geleden liet het kabinet weten zo min mogelijk onderscheid te willen maken tussen allochtonen en autochtonen, al was het alleen om contraproductieve afgunst over “voortrekken” tegen te gaan. Sociaal-economische achterstand moet worden bestreden, maar zonder acht te slaan op etnische herkomst. De laatste jaren is de slinger toch weer de kant opgegaan van specifiek achterstandsbeleid, getuige de zogeheten “inburgeringscontracten” voor nieuwkomers. Voor inheemse achterstandsgroepen kent Nederland niet een dergelijke vorm van verplichte bijscholing. De kroon op deze ontwikkeling vormt voorshands de aanstelling van een speciale minister van Minderheden in het nieuwe kabinet.

Initiatieven als het inburgeringsproject, dat zelfs werd neergelegd in een formele wet, wringen met de neiging bij lokale overheden juist te kiezen voor “een in algemene termen geformuleerd achterstandsbeleid”. Dat wil zeggen niet op voorhand gericht op specifieke groepen of categorieën. Zo wordt het uitgedrukt in een spraakmakend advies uit 1996 aan de gemeente Utrecht met de veelzeggende titel Burgers als ieder ander.

VOOR DEZE INVALSHOEK valt veel te zeggen en niet alleen vanuit het oogpunt van de afgunst waarover minister Rietkerk zich in 1983 vooral zorgen maakte. Vormen van voortrekken - officieel bekend als “positieve actie” - zijn alleen te rechtvaardigen om systematische patronen van achterstelling op te heffen. Deze rechtvaardiging slaat vooral op historische patronen van achterstelling. In Nederland gaat het er juist om deze te vermijden; het migrantenvraagstuk is nog relatief jong.

De slogan Burgers als ieder ander staat of valt met een vooronderstelling, namelijk dat het maatschappelijk speelveld in Nederland min of meer egaal is. Etnische minderheden spelen toch al een uitwedstrijd die extra inspanning vergt. Het wordt een onmogelijke - en oneerlijke - opgave als er ook nog tégen wordt gefloten. Discriminatie dus. Het is een verwijt dat te pas en te onpas valt te vernemen, al is het vaak moeilijk hard te maken.

Niemand is er mee gebaat ieder zuchtje tegenwind voor minderheden direct tot discriminatie of racisme te bestempelen. Of de eigen verantwoordelijkheid van minderheden te kleineren. Maar het is evenmin goed reële vragen over ongerechtvaardigd onderscheid uit de weg te gaan. Discriminatie lijkt het grote taboe van het minderhedenbeleid in Nederland en wel in de oorspronkelijke Polynesische betekenis van “dat waarover niet gesproken mag worden”.

TEKENEND IS een recent onderzoeksrapport van het bureau PON in Noord-Brabant over knelpunten bij de tewerkstelling van allochtonen in de collectieve sector. Het rapport signaleerde diverse belemmeringen, zoals een gebrek aan vacatures of onvoldoende gekwalificeerde allochtone kandidaten. In alle vier de geënquêteerde deelgebieden bleef het vakje “discriminatie” leeg. Het rapport bevat verschillende aanknopingspunten voor zelfonderzoek op juist dit aspect. Zo vermelden de ondervraagde instellingen regelmatig als knelpunt dat allochtonen niet op de vacatures solliciteren. Zou dat alleen aan hen liggen? De meerderheid van de Brabantse instellingen geeft aan dat het hun niet zoveel uitmaakt of er wel dan niet sprake is van een evenredige arbeidsdeelname van allochtonen.

De vakbeweging maakt zich wél zorgen; de FNV voert sinds vorig jaar zelfs openlijk campagne tegen “racisme op de werkvloer”. Daarbij gaat het niet alleen om misplaatste grappen of opmerkingen, maar ook over gebrek aan doorstroming van minderheden. “Begrensde mobiliteit” noemt de Rotterdamse socioloog Dagevos dat in de titel van zijn recente proefschrift over arbeidsmarkt en maatschappelijke ongelijkheid. Het is niet een kwestie van bedoelde achterstelling door personeelschefs, onderstreept hij, eerder is het zo dat deze personeelschefs en de chefs op de werkvloer vastzitten in culturele sjablonen.

DE SAMENLEVING heeft het moeilijk om deze sjablonen openlijk ter discussie te stellen. Toch is dat de eerste stap naar het doorbreken ervan, en niet alleen bij de personeelsselectie. Het thema discriminatie is strafrechtelijk zwaar belast. De Hoge Raad pleegt maar weinig nodig te hebben om een veroordeling te bezegelen.

Het bestaan van een vijandige context geeft al gauw de doorslag bij uitlatingen over het objectieve gehalte waarvan men op zichzelf van mening kan verschillen. Als het gaat om de CD van Janmaat of brutale groeperingen als CP'86 is dat op zichzelf overtuigend. Maar op subtiele wijze werkt het verlagen van de strafrechtelijke drempels tegelijk als een aflaat. Alsof door het in de kiem smoren van de Janmaats de samenleving van alle lastige vragen over eigen handelen af is. Samengaan in de interculturele samenleving van het regeerakkoord vraagt méér.