Sukkels!; De moeizame verhouding tussen leger en politiek

Kennen militairen hun plaats in de parlementaire democratie wel? Die vraag is onvermijdelijk na de jongste commotie over 'Srebrenica' en de houding van Defensie-ambtenaren. Het ministerie heeft nooit het hele verhaal verteld, zegt oud- generaal Couzy. Waarom zou het ook, lijken militairen te denken. 'Iedereen wist dat politici een nodeloze verzwaring van onze taak betekenden.'

Met “lichte walging” volgde oud-brigade-generaal Ernest Tomasso (62) deze weken de berichtgeving over Srebrenica. Hij zit op de rand van zijn stoel, in zijn huis in een buitenwijk van Apeldoorn. Grijs haar, grijze snor, een scherpe vouw in zijn beige katoenen broek. “De schuldigen”, zegt hij met een strak gezicht, “zoeken naar de schuldigen.” Politici, bedoelt hij, schuiven hun fouten, hun verantwoordelijkheid af op de soldaten van Dutchbat: “Zíj zijn nu de geslagen honden.”

Minister-president Kok zei vorige week dat hij geschokt was door het - niet nieuwe - bericht dat Dutchbat-soldaten met legervoertuigen over moslims hebben gereden. “Schandalig”, zegt Tomasso, “werkelijk schandálig. Hij moet zich schamen. Hij is slecht geïnformeerd, hij roept maar wat.” Premier Kok zei deze week dat hij “verkeerd begrepen” werd.

De generaal buiten dienst kijkt even opzij, naar de televisie die nu uit is. Dan zegt hij: “Ik vind dit zó onrechtvaardig, ik word er bijna emotioneel van.” En dat betekent wat. Een militair, vindt Tomasso, moet incasseren. Een militair is loyaal, hij legt zich neer bij politieke beslissingen. “Maar politici”, zegt de oud-generaal, “hebben van de krijgsmacht een speeltje gemaakt.”

Een speeltje?

Er is nog steeds twijfel over een belangrijk fotorolletje dat mislukte door een - volgens het ministerie - “stomme, menselijke fout” in het fotolaboratorium van de militaire inlichtingendienst. Niet alle verklaringen van Dutchbat-soldaten werden opgenomen in het debriefingsrapport waarin de gebeurtenissen worden beschreven rond de val van de moslimenclave. Een 'managementrapportage' van de marechaussee, over incidenten waarbij Dutchbat betrokken was en over de bataljonsleiding die tekortschoot, bleef twee jaar in een la liggen voordat de minister het las.

Er was op z'n minst de schijn gewekt, vonden Tweede-Kamerleden die om onderzoek vroegen, dat Defensie niet alles over Srebrenica naar buiten wilde brengen, en dat de minister niet alles wist.

Hoe loyaal zijn militairen eigenlijk, hoe ondergeschikt?

Oud-luitenant generaal Hans Couzy (57), tot twee jaar geleden bevelhebber van de landmacht: “Op de Hogere Krijgsschool, begin jaren zeventig, hoorden we van militaire docenten: politici deugen niet. Ze hebben geen ruggengraat, ze denken aan de partij, hun achterban, actiegroepen, maar vooral aan hun eigen belang.” Couzy grijnst. “In tegenstelling tot Defensie. Defensie denkt alleen aan het landsbelang.”

De Hogere Krijgsschool heet nu Instituut Defensie Leergangen. Officieren van luchtmacht, landmacht en marine worden er opgeleid voor staffuncties. In het lesprogramma was één college 'politiek-militaire verhoudingen' opgenomen. Drie jaar geleden werd dat onderdeel uitgebreid tot anderhalve dag. De aanleiding: de directie was hevig geschrokken van een discussie tijdens een les over vredesoperaties. Een paar cursisten, geselecteerd voor hoge militaire functies, vonden: wat het nationaal belang is bij een uitzending van militairen, bepalen wij wel - niet de politiek.

Vanaf 1980 werkte Couzy bij de landmachtstaf in Den Haag. Hij was beleidsmedewerker op de afdeling 'operatiën', later directeur 'materieel'. De landmachtstaf moest vaak Kamervragen beantwoorden, voor de minister en staatssecretaris. Couzy: “Dat waren dan van die stomme vragen, vonden wij. Parlementariërs waren sukkels die geen verstand hadden van de krijgsmacht. Maar we vonden het ook vervelende vragen, over zaken die we liever niet openbaar maakten. Er werd Kamerleden vaak informatie onthouden, want stafmedewerkers maken natuurlijk een eigen samenvatting van beleidsvoorstellen, je kunt nooit álles melden.”

Couzy vindt dat hij meer politiek inzicht had dan andere militairen. En als bevelhebber vermeed hij zorgvuldig, zegt hij zelf, uitspraken over politiek gevoelige onderwerpen. Maar wat politiek gevoelig was en wat niet, bepaalde de generaal zelf. Couzy: “Een minister heeft bijvoorbeeld weinig verstand van wel of geen luchtaanvallen in Joegoslavië, daar zei ik dan ook wat over.”

In 1992 dwong minister van Defensie Ter Beek Couzy een loyaliteitsverklaring te tekenen omdat de bevelhebber volgens hem te ver was gegaan in publieke uitspraken over afschaffing van de dienstplicht. Couzy had, net als bijvoorbeeld kroonprins Willem Alexander, daarover zo zijn bedenkingen en uitte die op de opiniepagina van NRC Handelsblad. Ter Beek, woedend, riep hem bij zich op het ministerie, Couzy moest ophouden de minister in de media te hinderen met eigen inzichten.

Vakidioten

Gé Berkhof (64), luitenant-generaal buiten dienst en hoogleraar strategische studies in Leiden, kan zich niet herinneren dat er op de Hogere Krijgsschool werd gesproken over politici die niet deugen. De officieren praatten volgens Berkhof liever over vrouwen en auto's. “Maar iedereen wist natuurlijk dat politici voor het gros een nodeloze verzwaring van onze taak betekenden.”

Berkhof werd begin jaren tachtig Sjakie Plof genoemd omdat hij zo hartstochtelijk pleitte voor plaatsing van kernwapens. De oud-generaal houdt van flinke uitspraken. “In de Koude Oorlog”, zegt hij, “hadden we meer last van onze politici dan van de Russen. De Russen zagen we alleen met een verrekijker, aan de overkant. Soms kwamen ze hier langs. Dan dronk je een borrel met ze, en dan bleken ze net zulke vakidioten als wij.”

Ton Frinking (67) was militair én politicus. Hij was luitenant kolonel, docent aan de Hogere Krijgsschool, Kamerlid voor het CDA, en van 1993 tot 1994 staatssecretaris van Defensie. Frinking zit op de bank in zijn flat in Rijswijk, met uitzicht op een winkelcentrum. Hij praat langzaam, formuleert met zorg.

De militair, vooral die met een officiersrang, heeft volgens de oud-staatssecretaris een “diepgeworteld besef van staatsrechtelijke verhoudingen”. In zijn opleiding krijgt hij overheidsfinanciën, staatsrecht, hij leert hoe overheidsorganisaties in elkaar zitten. Misschien, geeft Frinking toe, schieten de zogenoemde 'hogere militaire vormingen' bij Defensie Leergangen in Rijswijk daarin wat te kort. Maar er is nog een opleiding daarna, de 'leergang topmanagement defensie', het vroeger zelfstandige Defensie Studiecentrum. In die cursus leren militairen met hogere rangen hoe ze met niet-militairen moeten omgaan, op ministerieel niveau. Dat is alleen wat laat. Ze zijn dan al achter in de veertig, hebben bijna de rang van generaal bereikt - en op hun vijfenvijftigste gaan ze met 'functioneel leeftijdsontslag'.

Die laatste opleiding komt veel te laat, vindt luitenant kolonel buiten dienst Jan Schulten (65), militair historicus en oud-docent aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. “Vanaf het moment dat ze in dienst komen moeten militairen leren nadenken over hun rol in de samenleving. Niet pas op het moment dat ze met elkaar in concurrentiestrijd zijn verwikkeld om de kolonels- en generaalsrangen. Dan zijn ze vaak al te ver op weg om hun ideeën nog te wijzigen. Als je vijfentwintig jaar hebt gedacht: de politiek is onfris en de media zijn gevaarlijk, dan verandert dat niet opeens door zo'n opleiding.”

En de lagere rangen? Een sergeant (40) van de landmacht, beleidsmedewerker bij de staf in Den Haag: “Toen ik in dienst kwam, dacht ik dat de commandant alles besliste. Ik wist niet dat de politiek er iets mee te maken had.”

Na jaren, tijdens zijn opleiding tot sergeant, leerde hij over de controlerende taak van de volksvertegenwoordiging en de ondergeschikte rol van de krijgsmacht. “Echt, ik was niet de enige die daar nog nooit over had gehoord.”

Een adjudant van de marine (38): “We kregen in de korporaalsopleiding les over politieke partijen en wat ze wilden. De leiding maakte zich zorgen: als we tijdens verkiezingen op zee waren, hadden vaak maar een of twee van de honderdvijftig bemanningsleden bedacht hoe ze toch konden stemmen. Niemand was geïnteresseerd.”

Militairen vertellen graag over domme vragen van Kamerleden op werkbezoek. Over minister Vredeling die, in 1975, in de kroegen van Den Haag en Leiden werd gezocht omdat hij het koopcontract van de F16's moest tekenen. Over Van Mierlo, begin jaren tachtig korte tijd minister van Defensie, die altijd een marinier bij zich had om erop te letten dat hij geheime stukken niet liet liggen in - alweer - de cafés waar hij kwam. En ze moeten nog lachen om Joris Voorhoeve, in uniform in de bunker tijdens de Srebrenica-crisis - alsof hij een van 'de mannen' was. Of om de vorige staatssecretaris Gmelich Meijling, vroeger officier van de marine, die soms collega-politici rondleidde op marineschepen, in een uniform dat hem te klein was geworden.

Het is de professionele minachting van een organisatie die het moet hebben van groepsgevoel, van eenheid. En als zij niet trots zijn op zichzelf, wie is het dan wel?

Nederland, vindt oud-brigade generaal Tomasso, houdt te weinig van zijn krijgsmacht. “Tijdens de Falkland-oorlog kon iedere Engelsman op straat meelullen over strategie en tactiek. Nederland is niet bedreven in het hanteren van militaire macht, wij moeten het hebben van ons moralisme.”

Ook Engelse militairen, zegt Tomasso, hebben hun soldaten teruggetrokken uit een zogenaamd veilig gebied in Bosnië, omdat dat niet meer te beschermen was. “Maar hoor je iemand over de schandelijke terugtrekking van de Engelsen? Zoiets zeggen alleen Nederlanders. Wij accepteren geen militaire argumenten.”

In de jaren zeventig werd de oefening in bajonet-vechten afgeschaft - een politieke beslissing. De bajonet, een dolk op de punt van het geweer, is het laatste gevechtsmiddel, man tegen man, als de kogels op zijn. Volgens Tomasso loopt uiteindelijk iedere oorlog uit op chaos waarin dit soort wapens wordt gebruikt. “Politici vonden dat middel gruwelijk, maar het leger ís een rauw bedrijf. Dat willen we in Nederland niet beseffen.”

Kandidaat-ministers, klagen militairen, accepteren alleen een post op Defensie als er niks anders meer in zit. Defensie-woordvoerders in de Tweede Kamer hebben weinig aanzien. En politici, zeggen ze, denken altijd: bij Defensie kan nog wel bezuinigd worden. De kersverse minister De Grave kondigde deze week aan dat de in het regeerakkoord afgesproken jaarlijkse bezuinigingen van 375 miljoen gulden tot het jaar 2002, hem dwingen taken van de krijgsmacht af te stoten.

Weinig flexibel

Waarom zou Nederland z'n krijgsmacht wél belangrijk moeten vinden? Bauke Snoep, voorzitter van de militaire vakbond AFMP en officieel nog kapitein bij de luchtmacht: “We hebben geen enkel recent wapenfeit waar we erg trots op kunnen zijn. Begin deze eeuw werden militairen ingezet tegen het aardappeloproer, daar maak je je niet erg geliefd mee. In de Tweede Wereldoorlog hadden we geen moment gerekend op landingen vanuit de lucht, wij dachten dat we wel genoeg hadden aan de Grebbeberg en de Waterlinie. Laat ik maar zwijgen over de koloniale oorlogen. In Libanon hebben we goed werk gedaan, in Cambodja ook, op Sint Maarten, en bij de voedselhulp in Senegal, maar daar hoor je niemand over. En in Srebrenica liep het fout.”

Natuurlijk vindt ook Snoep dat politici te weinig aandacht hebben voor defensie - “politieke controle is er nauwelijks” - en dat er de laatste jaren onverantwoord veel is bezuinigd. De vakbondsvoorzitter vindt dat Defensie het 'zelfreinigend vermogen' moet hebben om na te gaan wat er in Bosnië misging. Er wás te weinig leiding bij Dutchbat, zegt Snoep. Maar 'de' politiek moet geld op tafel leggen om militairen goed op te leiden voor hun taak.

Is het zo eenvoudig? Twijfels over de leidinggevende capaciteiten van overste Ton Karremans waren er al langer. Hij was weinig flexibel, liet gebeurtenissen te veel over zich heen komen. Toen bekend werd dat de Luchtmobiele Brigade naar Bosnië zou worden gestuurd, is ernstig overwogen om Karremans bij die brigade weg te halen. Karremans' superieuren kwamen advies vragen aan bevelhebber Couzy in Den Haag. Maar die vond dat zij daar zelf het beste over konden oordelen: zij kenden de overste, hij niet.

Karremans ging toch naar Srebrenica. In Den Haag werd een beetje angstig afgewacht hoe het zou gaan: de staf had gehoord dat de commandant net voor zijn vertrek naar Bosnië was gescheiden, en dat brengt een mens nogal eens uit zijn evenwicht. Er zouden incidenten zijn geweest: de arts van de brigade wilde moslimgewonden behandelen, commandant Karremans wou er niet van horen (uiteindelijk werden ze, na bemiddeling uit Den Haag, toch behandeld). Karremans zou interne radio-uitzendingen hebben verboden omdat er in een programma grappen over hem waren gemaakt.

Wat er precies met de overste mis was in de dagen voor en tijdens de Servische aanval op Srebrenica is nog steeds niet duidelijk. Hij had last van zijn maag. Zijn plaatsvervanger nam een groot deel van de leiding op zich.

Een jaar later werd Karremans bevorderd tot kolonel. Hij was aan de beurt, vond de plaatsvervangend bevelhebber van de Landmacht, A. van Baal, en er was al langer mee gewacht dan had gemoeten. Zijn directe baas Couzy wist van niks, zegt hij zelf, en ook minister Voorhoeve hoorde er pas van nadat Karremans zelf al op de hoogte was gebracht. Voorhoeve was woedend.

Volgens Couzy bleek uit dit incident het gebrek aan politiek inzicht bij militairen in de top.

De bevordering, het fotorolletje, de rapportage van de marechaussee die de minister niet had gelezen - het kan niet doorgaan zo, vindt oud-staatssecretaris en luitenant-kolonel buiten dienst, Frinking. “De politiek moet veel meer controle uitoefenen op de krijgsmacht. Daarvoor moet je goede vragen stellen, want militairen voelen onbegrip en onderwaardering. Ze hebben geen hartelijk vertrouwen in wat de politiek voor ze kan doen.”

Oud-docent strategie en militaire geschiedenis en luitenant-kolonel buiten dienst Schulten moet hard lachen om de mislukte foto's. “Was het nou nog gegaan om computers of raketten, dan had de minister wel zo'n kletsverhaal kunnen ophangen. Maar nu weet iedereen dat-ie bij de neus wordt genomen, dat kan niet anders.”

De militair historicus kan zich wel voorstellen waarom de inlichtingendienst het rolletje met bewijsmateriaal wilde vernietigen: om eigen mensen te beschermen die erop staan, zelfs als ze niet meer doen dan toekijken. Schulten: “In Duitsland wordt nog altijd gediscussieerd over een tentoonstelling over de Wehrmacht. Op foto's van liquidaties staan mensen die waren komen kijken, maar met de liquidaties zelf niets te maken hadden. Ze zijn nu zeventig, tachtig jaar, en ze worden er nog steeds op aangekeken, nagewezen.”

Oud-generaal Couzy, tijdens de Srebrenica-affaire bevelhebber van de Landstrijdkrachten, zegt nu dat hij de minister al onmiddellijk na de verovering van het moslimgebied heeft aangespoord om “het hele verhaal” te vertellen. “Ik zei: we kunnen er beter zélf mee naar buiten komen. Maar Voorhoeve wilde wachten op het debriefingsrapport. Toen dat uitkwam, hoopte ik dat hij het hele verhaal zou gaan vertellen. Dat deed hij niet. Dat heeft hij nooit gedaan. Hij maakte alleen een aantal randopmerkingen bij het rapport.”

De minister had bepaald dat verklaringen van Dutchbat-militairen die tegenstrijdig met elkaar waren, niet werden opgenomen in het debriefingsrapport. Daarom stond er niets in over Nederlandse blauwhelmen die moslim-vluchtelingen naar de bussen en vrachtwagens leidden. De ene Dutchbat-militair had verklaard dat Nederlandse soldaten moslims eten en drinken hadden gegeven en vluchtelingen overeind hadden geholpen als ze op de grond waren gevallen. De ander had gezegd dat Nederlandse soldaten hadden gecollaboreerd met de Serviërs. Dat spoorde niet, dus kwam er niets over in het rapport. Couzy: “Daardoor bleven er te veel witte plekken over. Het was een onhandige en verkeerde aanpak. Dat zal nog jaren ophef geven in de publieke opinie.”

Couzy vindt nu dat er een parlementaire enquête moet komen naar Srebrenica. “In augustus 1995 heb ik er nog alles aan gedaan om zo'n enquête juist te voorkomen. Ik vond dat we het zelf openbaar moesten maken. Nu denk ik dat zo'n enquête een eind kan maken aan onduidelijkheden.”

Veel militairen willen dat de berichtgeving over het Nederlandse bataljon in Srebrenica eindelijk eens ophoudt. Ze blijven herhalen dat de héle Nederlandse legertop vanaf het begin tegen de uitzending van Dutchbat was. Omdat de moslimenclave, met drie toegangswegen, niet te beschermen viel. Ze denken er liever niet meer aan dat er ook generaals waren die graag de pas opgerichte Luchtmobiele Brigade in deze missie wilden uitproberen. De uitzending werd 'politiek doorgedrukt' heet het. Tweede-Kamerleden moesten zo nodig laten zien dat ze opkwamen voor de rechten van de mens, Nederland zou de Bosnische moslims wel beschermen. Oud-generaal Tomasso: “Er werd níet geluisterd naar onze adviezen. En dan komt er een moment dat de militair zegt: hakken tegen elkaar en uitvoeren.”

“Misschien”, zegt een landmacht-sergeant, “zijn we wel sukkels dat we al die bezuinigingen en zo'n uitzending gewoon laten gebeuren, over ons heen laten komen. Maar als de politiek iets wil wat eigenlijk niet kan, is er altijd wel een hoge officier die zegt: ja hoor, het kan. Er zit altijd wel voor iemand een promotie aan vast.”