MOGELIJKHEID OM GEBAREN TE MAKEN GEEFT SPREKER STEUN

Gebaren en handbewegingen bij het praten helpen niet alleen om extra informatie over te dragen. Ze helpen ook de spreker zelf bij het vinden van de juiste woorden. Bewegingen en motorische patronen maken waarschijnlijk deel uit van het verbale geheugen, zodat gebaren het zoeken daarin vergemakkelijken. Maar dit gunstige effect van gebaren komt al tot uiting voordat de gebaren daadwerkelijk gemaakt worden, zo blijkt uit een onderzoek van twee Amerikaanse psychologen, Donna Frick-Horbury van de Appalachian State University en Robert E. Guttentag van de University of North Carolina at Greensboro. Het is de mogelijkheid om gebaren te maken die telt. (American Journal of Psychology vol. 111 nr. 1, lente 1998).

Proefpersonen moesten raden naar niet-dagelijkse woorden aan de hand van omschrijvingen (voorgelezen op een bandje). De ene helft van de groep moest daarbij een stok vasthouden, de andere helft had de handen vrij. Vijf minuten na afloop van deze test moesten allen (onverwachts en zonder stok) zo veel mogelijk woorden uit de test uit het geheugen oproepen. De losse-handengroep raadde ongeveer een kwart meer woorden dan de eerste, en kon zich achteraf zelfs een derde meer herinneren.

Een mogelijke andere verklaring van dit resultaat is dat het vasthouden van de stok zoveel aandacht vraagt dat die proefpersonen niet met hun volle aandacht bij de test zijn en daardoor slecht scoren. Maar dat is niet erg waarschijnlijk, aldus Frick en Guttentag, omdat eenzelfde test met een soort schort waarbij de proefpersonen hun handen in hun zakken moesten houden dezelfde uitkomsten opleverde. Het ging in de test om woorden als atomizer (een parfumverspreider), buoy (boei) en gargoyle (met vreemde kop versierde waterspuwer op kerk of kasteel).

Het was al langer bekend dat mensen bij het spreken ook handbewegingen maken als niemand die kan zien, bijvoorbeeld in een verlaten radiostudio. In feite is de hoeveelheid gebaren nauwelijks afhankelijk van de aanwezigheid van toeschouwers, zo blijkt uit het (overigens niet zeer uitvoerige) onderzoek op dit gebied. Maar vaak werd dit gedrag verklaard als een soort zelfstimulering, als een hulp bij de concentratie op het praten. Bij eerdere experimenten was al vastgesteld dat bij beperking van de handbewegingen de hoeveelheid beeldende taal afneemt, maar dat de hoeveelheid woorden voor 'ruimtelijke relaties' juist weer toeneemt. Het was al bekend dat gebaren het meest voorkomen als de spreker in een 'puntje-van-de-tong'-toestand verkeert en dat bij onbegrip de gebaren zelfs iets vooruitlopen op de juiste woorden. Maar opvallend resultaat van het huidige experiment is dat de mogelijkheid om gebaren te maken meer effect lijkt te hebben op het succes, dan de gebaren zelf. Want als in de 'onbeperkte' groep het woord direct werd geraden, werden amper handgebaren gebruikt: 90 procent van de gebaren werden na 2 seconden gemaakt. Dan nog had bij deze 'moeilijkere woorden' de hoeveelheid gebaren geen effect op de mate van succes, niet bij het raden, en niet bij de herinnering achteraf.

De psychologen concluderen hieruit dat de gebaren zelf niet helpen bij de woordproductie, maar dat ze het gevolg zijn van de rol die 'motorische voorbereiding' altijd speelt bij het zoeken naar het juiste woord. Het vasthouden van de stok bemoeilijkt deze voorbereiding. Of er vervolgens een gebaar volgt of niet maakt dan niet meer uit.

Met deze conclusie bevestigen de Amerikanen de theorie van de Nijmeegse hoogleraar W.J.M. Levelt, volgens wie beweging en spraak aan het begin van het semantische proces met elkaar in verbinding staan, maar verder onafhankelijk geproduceerd worden.