Losse typen

Zakenlieden hebben hun beurzen en wetenschappers hebben hun congressen. Beide instellingen zijn o zo nuttig, mits men er maar verstandig gebruik van maakt. Geniet maar ga met mate, is men geneigd te denken, en dan hoeft men niet eens Small World van de Engelse schrijver David Lodge gelezen te hebben. Wie echter na lezing van die roman zou denken dat het in het zakenleven ongetwijfeld efficiënter toegaat dan onder wetenschappers, moet beslist ook Lodge's latere roman Nice Work lezen: alleen met steun van een academica kan de Britse zakenman zijn slag slaan in een internationaal milieu.

Zelf probeer ik mijn congresbezoek beperkt te houden tot één congres of workshop per jaar. Wie er niet van houdt om dezelfde boodschap voortdurend voor een ander gehoor te herkauwen en nieuwe onderzoeksresultaten wil presenteren, haalt, ben ik bang, moeilijk een hogere frequentie. Dit voorjaar ben ik echter van mijn geloof gevallen, want binnen enkele maanden nam ik deel, in meer of minder intensieve mate, aan vijf verschillende bijeenkomsten. In begin maart was ik aanwezig bij het congres ter gelegenheid van de opening van het Azië Instituut van Harvard University. In de laatste week van maart nam ik deel aan de jaarlijkse conventie van Association of Asian Studies, die dit jaar in Washington werd gehouden. In begin mei reisde ik naar Peking voor de Internationale Sinologische Conferentie, georganiseerd ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Peking Universiteit, en in de laatste week van juni was ik weer terug in Nederland om in Noordwijkerhout op te treden op de eerste International Conference of Asian Studies, die georganiseerd was door het Nederlandse International Institute of Asian Studies in samenwerking met de Amerikaanse Association of Asian Studies.

Al deze grote bijeenkomsten waren uiterst nuttig om vele collega's kort te ontmoeten, nieuwe publicaties te zien en van lopend onderzoek te leren. Inhoudelijk stak ik echter het meeste op tijdens een kleine workshop over 'Printing and Book Culture in Late Imperial China' in de eerste week van juni. Voor deze workshop reisde ik naar Timberline Lodge op Mt. Hood in Oregon. De Timberline Lodge ligt op 2.000 meter hoogte en werd in de jaren '30 als werkverschaffingsproject ambachtelijk gebouwd, zodat het pand inmiddels een monument is. Het zal wintersportliefhebbers misschien bekend zijn want op Mt. Hood kan ook 's zomers worden geskied: terwijl wij binnen zaten met de gordijnen dicht tegen de felle weerschijn van de zon op de sneeuw en ons dagen achtereen over de problemen van het boek bogen, schoten buiten de skiërs onbekommerd voorbij.

We weten aan de ene kant heel veel over het gedrukte boek in het traditionele China, maar aan de andere kant heel weinig. Het boek als bibliografisch object kent weinig geheimen voor de specialisten en ook de technologie van vermenigvuldiging is wel bekend. Voor die aspecten van het gedrukte boek kan men te rade gaan bij deel V:1 van Joseph Needhams Science and Civilisation in China, namelijk Tsien Tsuen-hsuin's Paper and Printing (Cambridge University Press, 1985). Maar we weten in feite heel weinig over de organisatie van de boekhandel en uitgeverij, over oplagen en prijzen, over verspreiding en gebruik, en het onderzoek op deze terreinen vordert bij gebrek aan bronnen slechts zeer langzaam.

Blijkbaar omdat ik me in een ver verleden ook wel eens had uitgelaten over zaken als geletterdheid en boekprijzen, was ik door de organisatoren uitgenodigd om deel te nemen. Nu sla ik moeilijk uitnodigingen af en men moet wel stevig in zijn schoenen staan om een gratis reisje naar Oregon te laten lopen. Toen ik het programma ontving, bleek ik echter de rol gekregen te hebben van 'professional discussant'. Die term had ik nog nooit eerder gezien. Het was één ding om als 'discussant' geacht te worden met gezond verstand commentaar te geven op de verschillende papers, maar de toevoeging 'professional' wekte toch wel sterk de indruk dat ik desgevraagd bereid zou zijn over alles een mening te hebben.

Wie geen specialist is op het hoofdterrein van een conferentie kan natuurlijk al snel de indruk wekken van een erudiete deskundigheid door vergelijkingen te trekken met een vergelijkbaar onderwerp in een andere periode of, nog beter, in een andere cultuur. Nu is het werk van geleerden als Darnton over het gedrukte boek in het Frankrijk van de achttiende eeuw natuurlijk heel boeiend, maar erg relevant voor de situatie van het gedrukte boek in het China van de periode 1500-1900 is het natuurlijk niet. Niet alleen omdat de druktechnologie zo verschillend was maar ook omdat de omvang van een kleine Chinese provincie die van het hele koninkrijk Frankrijk verre overtrof en er in China geen sprake was van illegale import van verboden boeken, hooguit van een illegale export.

Door een wel zeer gelukkig toeval stuitte ik in de bibliotheek van het Harvard-Yenching Institute echter op het pas verschenen boek van Peter Kornicki, The Book in Japan. A Cultural History from the Beginnings to the Nineteenth Century (Leiden: E.J. Brill, 1998). Weliswaar is natuurlijk ook Japan veel kleiner dan China, maar de situatie was tijdens de Tokugawa-periode (1600-1868) in vele opzichten zeer vergelijkbaar met die in het grote buurland. Ook in Japan werd in deze eeuwen overwegend niet met losse typen gedrukt maar met drukplanken, terwijl de invoer van boeken onderworpen was aan zeer strenge bepalingen die ook daadwerkelijk werden nageleefd. Maar het type bronnen (gilde-archieven, bedrijfsarchieven) dat in China maar al te vaak nagenoeg onvindbaar is, is blijkbaar in Japan dikwijls wel voorradig: Kornicki betreurt dat de archieven van het boekhandelaarsgilde niet voor alle grote steden en alle jaren volledig is, terwijl we voor het China van 1500-1900 niet eens weten of zulke archieven überhaupt hebben bestaan. Kornicki kan dan ook onderwerpen als de boekhandel en de positie van auteurs vis-à-vis uitgevers en overheid met veel detail behandelen, evenals de censuur en het bibliotheekwezen. Voor Japan is het zelfs mogelijk, zoals Matthi Forrer al in zijn Leidse proefschrift Eirakuya Toshiro, Publisher at Nagoya (Amsterdam: J.C. Gieben, 1985) bewees, om het fonds van een kleine provinciale uitgever tot in detail te reconstrueren - kom daar maar eens om in China!

Zowel in China als in Japan werden boeken in deze periode overwegend vermenigvuldigd door het blokdruk-procédé. Dat heeft grote voordelen gezien de aard van het schrift in beide landen. Vooral in Japan werden bovendien alle mogelijkheden van dit procédé uitgebuit om het handschrift van de auteur in druk weer te geven en om illustraties in de tekst te integreren. Kornicki vraagt ook aandacht voor de economische consequenties van het systeem: terwijl de westerse drukker/uitgever een belangrijke aanvangsinvestering moest doen in apparatuur (zetsel en persen), stond de Chinese en Japanse drukker/uitgever in principe per uitgave voor dezelfde investeringskosten. Maar waren de blokken eenmaal gesneden, dan bleven ze jarenlang bruikbaar en kon men ze vrijwel onbeperkt gebruiken voor het maken van nadrukken. Het maken van afdrukken kon gebeuren door vrouwen en kinderen, en ook de kosten van bamboepapier waren relatief laag. Wanneer de drukker/uitgever eenmaal zijn begininvestering had terugverdiend, kon hij zich veroorloven latere drukken voor zeer weinig geld aan te bieden. Vroege westerse bezoekers, bijvoorbeeld de missionaris Matteo Ricci, waren dan ook stomverbaasd over de lage prijzen van boeken in China. Helaas ontbreken niet alleen in China, maar blijkbaar ook in Japan de bedrijfsarchieven die ons inzicht zouden geven in de bedrijfsstrategie van drukkers/uitgevers.

Door de eeuwen heen werd in het Verre Oosten ook met losse typen gedrukt (dat is dus evenmin een uitvinding van meneer Gutenberg). Toen het procédé voor het eerst werd beschreven in de elfde eeuw werd de kleine omvang van de gemiddelde oplage aangevoerd als reden voor het gebrek aan economische levensvatbaarheid van deze technologie. Immers, door het wel zeer grote aantal verschillende typen was een uitermate grote begininvestering vereist, die alleen door zeer grote oplagen terugverdiend zou kunnen worden. Dat mag een logische veronderstelling lijken, ook in termen van de moderne economische wetenschap, maar de praktijk was juist tegengesteld. Zowel in Japan als in China drukten overheid en particulieren eigenlijk alleen met losse typen wanneer het bij voorbaat vast stond dat er sprake was van een eenmalige kleine oplage, zodat het zetsel ogenblikkelijk hergebruikt kon worden. Zowel op keizerlijk bevel gecompileerde encyclopedieën als burgerlijke familiegenealogieën werden onder de Qing-dynastie (1644-1911) met losse typen gedrukt - de eerste met bronzen zetsel, de tweede met houten typen, want verschil moet er zijn.