Lage olieprijs stort Noren in acute crisis

Noorwegen wordt als een van de eerste OESO-landen getroffen door een financiële crisis als gevolg van de lage olieprijzen en de invloed van de Russische problemen. De kroon is sterk in waarde gedaald en de regering talmt met maatregelen.

ROTTERDAM, 29 AUG. Noorwegen is rijk, maar zijn 4,4 miljoen inwoners blijken op veel te grote voet te leven als de bron van die rijkdom plotseling duikelt in waarde. Plotseling worden ze geconfronteerd met forse inflatie nu de koers van de nationale munt - de kroon - is gekelderd naar het laagste niveau in tien jaar. Boosdoener is de aanhoudend lage olieprijs die de economische groei verzwakt, de overheidsinkomsten verlaagt en het vertrouwen van de financiële markten in de nationale munt doet instorten. Zeven jaar lang vertoonde de Noorse economie stabiele groei, maar die trend wordt nu doorbroken.

De Noorse crisis is ten dele te vergelijken met die in andere landen waar de economie drijft op export van grondstoffen. In Rusland bijvoorbeeld leidde de lage olieprijs tot mislukking van het privatiseringsprogramma en de pogingen de belastinginkomsten te verhogen. Venezuela en andere grondstoffenlanden zagen hun inkomsten drastisch verminderen, wat zich direct uitte in dalende beurs- en valutakoersen. In Noorwegen komt daar nog een oververhitting van de economie bij door te hoge bestedingen, veroorzaakt door een hoog loonpeil en een te gulle overheid.

Afgelopen maandag schrokken economen en bankiers in Oslo pas echt toen de Centrale Bank de rente voor korte-termijnleningen voor de zevende maal verhoogde, tot 10 procent, het hoogste niveau in West-Europa op Griekenland na. Beperking van bestedingen is het doel.

“Dit is voor de afzienbare termijn de laatste renteverhoging”, zei bankpresident Kjell Storvik, in de hoop dat de kroon zich zou stabiliseren. Die hoop bleek ijdel want de koers bleef de hele week dalen. Voor minister-president Kjell Magne Bondevik, die in het weekeinde nog had verzekerd dat de nationale munt zou worden verdedigd, was dat een bittere pil.

Noorwegen is als tweede olie-exporterend land ter wereld en grote exporteur van aardgas sterk afhankelijk van de olieprijs die zich net weer iets heeft hersteld van het laagste niveau in tien jaar. Op basis van de huidige productie van zo'n 3,2 miljoen vaten olie per dag kan het land nog zeker tien jaar volop inkomsten uit de export verwachten en nog langer uit de grote aardgasbellen in het Noorse deel van de Noordzee.

Momenteel zorgen olie en gas voor meer dan 50 procent van de nationale exportopbrengsten. En het ministerie van Energie verwacht dat de speurtocht van olie- en gasmaatschappijen nog een aantal nieuwe, middelgrote velden zal opleveren.

Om ook toekomstige generaties van die rijkdom te laten profiteren heeft de regering enkele jaren geleden een 'Petroleum reservefonds' gevormd, waarin de overwinsten worden gestort als de olieprijs boven de 18 dollar per vat uitkomt. Inmiddels is het fonds aangegroeid tot zo'n 15 miljard dollar en de Noren zijn zo slim geweest om dat geld grotendeels in buitenlandse obligaties en aandelen te beleggen, zodat die waarde bij een lage koers van de kroon toch op peil kan blijven. Alleen als de overheid te maken zou krijgen met een begrotingstekort, mag het fonds worden aangesproken. is nog geen sprake. Integendeel, Noorwegen geniet nog altijd de luxe van zowel een overschot op de betalingsbalans als op de staatsbegroting.

Maar de gemiddelde burger haalt zijn schouders op over die reserves nu zijn eerste levensbehoeften hem dit jaar veel meer kronen kosten. De vakbonden hebben, gesteund door de sociaal-democratische partij, al compensatie van de regering geëist.

“Een van onze problemen is juist de te hoge loonstijging die eerder dit jaar tussen werkgevers en werknemers is overeengekomen”, zegt Knuth Anton Mork, hoofd van het economisch bureau van Handelsbanken in Oslo.

De Centrale Bank heeft gewaarschuwd dat de loonstijging dit jaar op 6 procent uitkomt en volgend jaar nog iets hoger zal uitkomen. Volgens Mork is de christen-democratische minderheidsregering niet in staat om het proces van hoge loonstijgingen, dat gevoed wordt door een krappe arbeidsmarkt, te keren.

Want Noorwegen lijdt volgens hem aan grote politieke verdeeldheid en mist een poldermodel zoals in Nederland waarin de regering de sociale partners overtuigt van de noodzaak tot matiging. Het Noorse beleid bestaat uit drie onderdelen, legt Mork uit: het handhaven van een stabiele munt (mislukt), een inkomensbeleid dat de inflatie matigt (zwak) en een fiscaal beleid dat de bestedingen en de vraag naar diensten, ook van de overheid, aanpast aan de economische omstandigheden (daarmee talmt de overheid).

De regering heeft wel bezuinigingsmaatregelen aangekondigd, maar die worden pas in oktober aan het parlement voorgelegd. “Tot nu toe heeft de coalitie voor geen enkel voorstel een meerderheid in het parlement kunnen krijgen”, zegt Mork. “En een ingreep in de lonen zou direct de val van het kabinet betekenen.”

Ook professor Erling Steigum van de Hogeschool voor Economie en Bedrijfsadministratie in Bergen denkt dat verlaging van de overheidsuitgaven, investeringen en consumptieve bestedingen voor de korte termijn het beste medicijn voor de Noorse economie is. “Dan ontkom je er zelfs niet aan om de rente tijdelijk nog verder te verhogen. Essenteel is ook dat de overheid afstapt van haar rigide monetaire politiek om de kroon stabiel te houden. Daar moet een inflatiedoel van zo'n 2 procent op de middellange termijn voor in de plaats komen. Dat kan de markten weer vertrouwen geven.”

Knuth Mork verwacht wel dat er in de herfst onder druk van de crisis een compromis kan worden bereikt, “want de politici zien nu in dat we hard door de Russische beer worden getroffen. Je ziet nu hoe kwetsbaar onze open economie is”, zegt hij. “Het zal moeilijk worden, want de christen-democraten hebben tot voor kort juist gepleit voor meer sociale uitgaven ten behoeve van gezinnen met kinderen, en de sociaal-democraten verzetten zich tegen een algemene belastingverhoging.”