Het broekje van Truus Hennipman

Rennende vrouwen trekken tegenwoordig zo'n strak, minuscuul, aan het lijf klevend stoeipakje aan. Liefst nog laten ze hun middel bloot, om harder te kunnen lopen en er een frisse wind over hun navel kan blazen.

Het is een van de laatste ontwikkelingen op het gebied van aerodynamica in de atletiek. Er zijn pakjes gedragen die meer van het lichaam bedekten. Met name het bovenste deel van de benen werd stevig ingepakt om de luchtweerstand tot een minimum te beperken. Zogenoemde leggings waren dat, die zelfs onder niet rennende vrouwen populair werden. Alles wat de sportkledingproducenten nog bedenken is minder koddig dan de pofbroekjes die de dames tot voor ruim twintig jaar droegen. Zo'n luchtig broekje van waarschijnlijk katoen had ook Truus Hennipman aan, een van Nederlands snelste sprintsters in de jaren zestig. Zij kon er heel hard mee lopen. Tijdens de Olympische Spelen van 1968 in Mexico Stad vormde ze met Mieke Sterk, Wilma van den Berg en Corrie Bakker de 4x100 meter estafette-ploeg. In de series liep het viertal een tijd van 43,4 seconden, waarmee het tot de snelste ploegen behoorde en zich kandidaat stelde voor een medaille. In de finale moest Hennipman en co genoegen nemen met een vierde plaats, achter de Amerikaanse, Cubaanse en Russische vrouwen. Ze droegen allemaal zo'n pofbroekje.