HEERLIJK SPELEN IN EEN STOFNEST

'KIJK', ZEGT DIRECTEUR Joop Hoogendoorn van basisschool Het Spoor in Zeist en hij wijst naar de houten afscherming voor de radiatoren in het kleuterlokaal. “Daaronder hoopt het stof zich op, de schoonmaker kan er niet bij en als de verwarming straks weer aangaat, lopen de kinderen hier te fluiten van de cara.” Tijdens een kleine excursie door zijn school doet Hoogendoorn verslag van de problemen die hij dagelijks ondervindt bij het leefbaar houden van het veertig jaar oude gebouw. Complicerende factor is dat zijn openbare Jenaplanschool onder de Zeister ouders zo populair is dat deze langzamerhand uit zijn voegen barst.

De hal is uit ruimtegebrek niet alleen docentenkamer, maar ook keukenhoek, kapstok en werkplek voor de kinderen. Een paar keer per dag lopen er zo'n 190 leerlingen doorheen. Hoogendoorn schuift een tafeltje opzij in de bovenbouwgroep waar 38 leerlingen een lokaal moeten delen. Met zijn vinger veegt hij een dikke laag stof van het buizenframe. De schoonmaker komt er niet aan toe. Hij wijst op het kinderspeelhuis op de gang bij de kleuters. “Een stofnest natuurlijk”, oordeelt Hoogendoorn, “maar de kinderen vinden het heerlijk om er in te spelen.”

Het speelhuis valt buiten het programma van de schoonmaker. Eens per jaar wordt het door ouders uitgesopt. Een apart probleem vormt de schitterende, maar zanderige speelplaats met bosschages die zich uitstrekt tussen het hoofdgebouw en de kleine dependance waar nog zo'n vijftig kleutertjes zijn gehuisvest. Geweldig voor de kinderen, maar een ramp voor de schoonmaker, concludeert Hoogendoorn. “Als het regent is het binnen één grote modderpoel. De schoonmaker krijgt dan in de drieëneenhalf uur die hem dagelijks zijn toebemeten om twee gebouwen schoon te houden, nauwelijks alle vloeren gemopt. “Moet ik die vlakte dan maar laten asfalteren?” vraagt Hoogendoorn zich vertwijfeld af. De bouw van zijn allang afgeschreven school, het zeer intensieve gebruik ervan en het geringe aantal schoonmaakuren dat hij kan bekostigen stellen de directeur voor grote problemen. De schoonmaker doet noodgedwongen vooral aan 'zichtwerk', ouders komen in ploegjes meehelpen, leerkrachten maken hun eigen lokaal schoon en zelfs de oudere kinderen worden ingeschakeld om de radiatoren te soppen.

De hygiëne van het sanitair is een knellend probleem, laat Hoogendoorn zien als we bij de kleine kleuter-wc-tjes staan. “Er zijn er twee voor negentig kinderen. We hebben bovendien te maken met een groeiende groep kleuters die nog niet zindelijk is. Deze sanitaire voorzieningen zijn ver onder de wettelijke norm.” Hij doet het halve deurtje open en we zien een natte, modderige vloer. Ook bij de wastafeltjes is het een water- en modderballet. Op de grond ligt een vuile handdoek, waarvan je hoopt dat de kinderen daar hun handen niet aan zullen afvegen. “Doordat nu ongeveer tachtig procent van de kinderen overblijft worden deze ruimtes nog intensiever gebruikt”, legt het schoolhoofd uit. “Er zijn twee wasbakjes om zestig kinderen voor het eten hun handen te laten wassen. We roepen maar niet al te hard dat dat nodig is.” Inmiddels is er een speciale moederploeg geformeerd die tussen de middag wc's en wastafels een extra beurt komt geven.

Na de rondgang door het gebouw haalt Hoogendoorn op zijn directeurskamer twee rapporten te voorschijn. Het ene is de 'Algemene schoolverkenning' van de Arbodienst, het andere een onderzoeksverslag van de GGD over hygiëne en veiligheid op zijn school. Deze rapporten bevestigen wat hij allang wist: voor zowel kinderen als leerkrachten is het werkklimaat ongezond en op sommige punten ook onveilig. De directeur krijgt er vooral een machteloos gevoel van. “De meeste aanbevelingen hebben financiële consequenties van de categorie zoek-het-zelf-maar-uit”, verzucht hij. Meer geld voor de schoonmaker is er niet, ook al krijgt deze zijn programma nooit af. De Arbo-dienst eist een deugdelijke overblijfruimte, maar aan ruimte is juist een chronisch gebrek. De GGD constateert onder meer dat er onvoldoende toiletten en wasbakken zijn, dat de vloerbedekking en de lokalen niet schoon genoeg zijn en dat er geen deksel ligt op de zandbak. “Je krijgt er hoofdpijn van”, zegt Hoogendoorn.

Margreet Wagenaar, hoofd afdeling jeugdgezondheidszorg van GGD Utrecht Zuid-Oost, waaronder Zeist valt, heeft begrip voor de gevoelens van machteloosheid die Hoogendoorn overvielen toen hij het GGD-rapport over zijn school in handen kreeg. “Maar”, zegt ze, “het is ook de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen om verbeteringen aan te brengen. En sommige zaken kunnen scholen makkelijk zelf regelen zonder dat het veel geld kost.” Ze noemt het vluchtplan, de EHBO-diploma's voor overblijfmoeders, het afsluiten van de meterkast en het schoonmaakhok. Ze meent dat het GGD-rapport een school juist kan ondersteunen in haar onderhandelingen met het bestuur. “Ze kunnen meer op hun strepen gaan staan.”

Haar GGD heeft het afgelopen schooljaar 130 basisscholen in de regio onderzocht op hygiëne en veiligheid. Dat gebeurt elke vijf jaar en sinds kort doen alle GGD'en in het land dat met dezelfde standaardlijst. Het rapport met algemene conclusies over alle scholen in de regio Utrecht Zuid-Oost moet nog gepubliceerd worden, maar Wagenaar wil wel al de punten noemen die haar opvielen. “Hoe gezelliger, hoe stoffiger de school”, is een van haar bevindingen. “Kussens, planten, open kasten, schoon metselwerk, vloerbedekking, het zijn allemaal stofnesten en slecht voor kinderen die gevoelig zijn voor cara. En dat zijn er steeds meer, blijkt uit onderzoek.”

Slecht schoongemaakte schoolgebouwen kunnen een oorzaak zijn van die toename, aldus jeugdarts Wagenaar. Een andere conclusie: Er wordt op alle scholen geklaagd dat er te weinig geld is voor het schoonmaken en vrijwel overal springen ouders en leerkrachten in. Toch moet ze vaststellen dat er heel schone en het heel vuile scholen zijn. “Een gloednieuwe school is over het algemeen schoner, omdat een nieuw gebouw meer uitnodigt tot opruimen en schoonhouden.” Toch kent ze ook afgeschreven schoolgebouwen die goed scoren op hygiëne en veiligheid. “Het heeft met de organisatie en de filosofie van de school te maken. Rommelig wordt vaak als warm ervaren. En de ene school heeft nu eenmaal meer talent voor netheid dan de andere, net als huisvrouwen.”

De zandbakken vormen een ander punt van zorg. Het merendeel van de scholen heeft geen afdekking, waardoor honden en katten vrij spel hebben. “Er is nog nooit een goede oplossing voor bedacht”, zegt Wagenaar. “Deksels zijn te zwaar en netten gaan snel kapot. Ik begrijp het niet, we kunnen mensen op de maan zetten, maar handzame deksels voor zandbakken zijn nog niet uitgevonden. Het is vies en ongezond, want in honden- en kattenuitwerpselen zitten toxacara-eitjes waar kinderen ziek van kunnen worden.” Gymzalen die door meer scholen en 's avonds ook nog door andere groepen gebruikt worden, zijn over het algemeen vuil en gevaarlijk, zo luidt een andere opmerkelijke conclusie van het GGD-onderzoek. “Niemand voelt zich verantwoordelijk”, aldus Wagenaar. “De telefoon is vaak kapot en er is vrijwel nooit een EHBO-doos. Het sanitair is slecht en vies, zodat scholen kinderen aanraden niet te douchen na de gymles. Daar is trouwens vaak ook geen tijd voor.” Pedagogisch vindt ze het allemaal niet goed. “We proberen kinderen op de basisschool de beginselen van hygiëne en veiligheid bij te brengen. Dit soort toestanden zijn dan niet bevoordelijk voor de motivatie.”