Habibie luidt nog steeds geen nieuwe tijd in

De Indonesische president Habibie was gisteren 100 dagen in functie. Maar de dienst wordt als vanouds uitgemaakt door het leger en de overheidsbureaucratie en de onvrede over de regering neemt toe. De kans dat die onvrede overslaat van Java naar Jakarta is niet denkbeeldig. En dat zal gevolgen hebben voor de positie van Habibie, meent Frank Vermeulen.

Rond het presidentieel paleis in Jakarta heerste donderdagochtend 21 mei een ongebruikelijke nervositeit. De reden daarvoor was dat Bapak Soeharto, gedurende 32 jaar de vader des vaderlands, deze Hemelvaartsdag had uitgekozen voor zijn eigen apotheose. Om negen uur 's ochtends droeg Soeharto in de Jenara-zaal van het paleis tijdens een sobere en vooral zeer korte plechtigheid de macht over aan zijn vice-president B.J. Habibie. Aangezien op dat moment de gebouwen van het Volkscongres, de geëigende plaats voor de machtsoverdracht, bezet waren door duizenden studenten, legde Habibie ter plekke ten overstaan van rechters van de Hoge Raad de eed af teneinde, in de woorden van Soeharto, “een machtsvacuüm te voorkomen”.

Habibie regeerde gisteren precies honderd dagen en dat is langer dan menigeen in Indonesië had verwacht. Maar zijn aanwezigheid in het presidentieel paleis heeft in hoge mate slechts een ceremoniële betekenis: Habibie is president bij gebrek aan consensus over een alternatieve kandidaat. De dienst wordt uitgemaakt door het leger en de overheidsbureaucratie.

Illustratief voor het geringe gezag dat Habibie bijvoorbeeld heeft in de legertop was een voorval, afgelopen maandag, in het ministerie van Defensie waar een legertje journalisten wachtte op een persconferentie van de chef-staf en minister van Defensie generaal Wiranto. Een van de Indonesische verslaggevers liep rond in een T-shirt met op de rug een foto van Habibie met daarbij de waarschuwing: “Pas op! De koning van corruptie, handjeklap en nepotisme loopt nog steeds vrij rond.” Hoge militairen lazen de tekst geamuseerd en sloegen de journalist op zijn schouders. Overbodig om te zeggen dat een dergelijk T-shirt gericht tegen Soeharto vóór 21 mei goed was voor op zijn minst een paar jaar gevangenisstraf wegens ondermijning van het gezag van het staatshoofd. De invloedrijke etnische Chinese zakenman Jusuf Wanandi karakteriseerde Habibie's presidentschap onlangs kortweg als “een grap”.

Habibie speelt ondertussen zijn rol met verve. Hij probeert afstand te nemen van de oude vormen en gedachten van de Nieuwe Orde en heeft bijvoorbeeld tegen een clubje buitenlandse correspondenten, met wie hij afwisselend Duits en Engels sprak, gezegd dat hij in tegenstelling tot Soeharto een touchable president wil zijn: een president met een hoge aaibaarheidsfactor dus. Vanaf zijn aantreden belijdt hij met zijn 'Reformatie en Ontwikkelingskabinet' drie onderling nauw samenhangende hoofddoelen van beleid: herstel van de economie, democratisering en eerbiediging van de mensenrechten.

Tijdens zijn rede voor het parlement twee dagen voorafgaand aan Onafhankelijkheidsdag op 17 augustus, zei Habibie alle dingen die het buitenland graag van hem wilde horen: de banksector zal worden gesaneerd, staatsbedrijven geprivatiseerd, monopolies afgeschaft, terwijl corruptie en nepotisme zullen worden uitgebannen. De op stabiliteit gerichte “veiligheidsbenadering” van het leger, op dit moment het meest gebruikte eufemisme voor de staatsterreur onder Soeharto, zal worden vervangen door een beleid gericht op democratie en welzijn. Met zijn aantreden begon, zo zei de nieuwe president, het Tijdperk van de Heropleving van de Democratie.

Zelden zal echter de afstand tussen woorden en daden van een staatshoofd groter zijn dan in het geval van Habibie. Geen wonder dat het volk hem bedacht heeft met de eretitel: 'De-man-die-slechts-verwarring-zaait' (HAnya BIkin BIngung). Terwijl Habibie in zijn toespraak tot het parlement aankondigde de strijd tegen het nepotisme voort te zullen zetten, vereerde hij zijn eigen echtgenote daags ervoor met de hoogste voor handen zijnde onderscheiding, de Ster van de Natie. Ook zijn broer Jusuf, oud-ambassadeur in Londen, kreeg vanwege zijn verdiensten voor het land een lintje. De sanering van de banksector bleef vorige week bij samenvoeging, nationalisering en liquidatie van een handvol banken. De privatisering van staatsbedrijven blijft voorlopig beperkt tot een zeer gering aantal ondernemingen.

Habibie heeft, en dat was ongehoord, zijn verontschuldigingen aangeboden voor mensenrechtenschendingen gepleegd door onderdelen van de strijdkrachten onder Soeharto's Nieuwe Orde. En het leger heeft daadwerkelijk troepen teruggetrokken uit het omstreden Oost-Timor en het immer weerspannige Aceh. Echter het gaat hier om symbolische aantallen: ongeveer duizend soldaten per provincie.

Onderzoeken zijn ingesteld naar het doodschieten van studenten op 12 mei bij de Trisakti universiteit, naar de massale verkrachting van etnisch Chinese vrouwen in Jakarta in de dagen die daarop volgden en naar de ontvoering, marteling en verdwijning van anti-Soeharto activisten eerder dit jaar. Maar twee agenten die terecht stonden in verband met de tragische gebeurtenissen bij de Trisakti universiteit kregen respectievelijk negen en vier maanden gevangenisstraf en een boete van 5.000 roepia (75 cent). Luitenant-generaal Prabowo, schoonzoon van Soeharto, oud-commandant van de elitetroepen (Kopassus) en nog belangrijker: aartsrivaal van chef-staf Wiranto, werd afgelopen maandag wegens betrokkenheid bij de ontvoering van activisten uit actieve dienst ontslagen, terwijl twee andere hoge Kopassus-officieren op non-actief werden gesteld. Maar dat gebeurde zonder motivering, na een interne procedure voor een Ereraad. En de massale verkrachting van Chinese vrouwen gedurende de plundering van Jakarta wordt sinds kort door steeds meer overheidsfunctionarissen ontkend. Volgens generaal Wiranto heeft de politie, die 103 drie zaken onderzocht, geen bewijs kunnen vinden: geen enkele vrouw is naar voren gekomen om een formele aanklacht in te dienen. De strijdkrachten willen naar het schijnt uit alle macht het bevlekte blazoen oppoetsen zonder de verantwoordelijken voor begane misdaden op te sporen en te bestraffen.

Belangrijk voor Habibie's statuur in eigen land (althans daar hamert hij zelf op) is dat hij erin geslaagd is de miljardenstroom van buitenlandse hulpdollars weer op gang te brengen. Nadat een supra-nationale monetaire instelling als het Internationaal Monetair Fonds (IMF) Indonesië na de plundering van Jakarta in mei financieel drooglegde, kondigde het IMF op 16 juli aan het komende jaar twaalf miljard gulden extra te zullen overmaken aan Jakarta. Geen wonder dat IMF-directeur Hubert Neiss toen hij onlangs Jakarta weer aandeed, door een ontstuimige Habibie werd onthaald op twee on-Indonesische zoenen.

Vorige maand besloten in Parijs de dertig donorlanden verenigd in de Consultatieve Groep voor Indonesië (CGI), waarbij ook Nederland zich weer gaat aansluiten, om Habibies regering een helpende hand ter waarde van zestien miljard gulden toe te steken. Dat dit in geld gestolde vertrouwen in de huidige Indonesische regering, niet wordt gedeeld door de markt, bewijst het schoorvoeten van de nationale munteenheid: de waarde van de roepia blijft hangen op 11.000 roepia voor de dollar. En dat blijft moordend voor een economie die zestig tot tachtig miljard dollar aan private schulden heeft uitstaan, want die dollars werden geleend toen de roepia nog rond de 2.400 roepia tegen de dollar deed. De economie zal naar verwachting met twintig procent samentrekken en het inflatiecijfer zal dit jaar 100 procent bedragen. Negentig miljoen inwoners zakken dit jaar onder de armoedegrens, waarbij dertig miljoen mensen zich niet meer dan een maaltijd per dag kunnen permitteren. Deze macro-economische schattingen worden gestaafd door nieuwe prijsstijgingen in de afgelopen twee weken: een kilo rijst is in prijs verdubbeld van tweeduizend roepia naar vierduizend - gelijk aan een dagloon op het platteland van Java.

De publieke onvrede over de regering Habibie neemt de afgelopen weken weer zienderogen toe, niet alleen in Jakarta maar ook daarbuiten, waar mensen niet profiteren van speciale goedkope markten voor eerste levensbehoeften. Terwijl arbeiders uit Midden-Java deze week in Jakarta protesteerden, gingen ook studenten voor het eerst weer de straat op om het aftreden van Habibie te eisen. De hoofdstedelijke intelligentsia is in staat van permanente vergadering: verdeeld over tal van politieke groeperingen hebben iedere dag op verschillende plaatsen in de stad seminars, congressen en workshops plaats over onderwerpen als de economische toestand, de politieke toekomst, de armoede, het geweld in Aceh, Oost-Timor en Irian Jaya, de bestuurlijke structuur van het land of de rol die het leger dient te spelen in een democratie.

Buiten Jakarta, in Oost-Java en Noord-Sumatra, raakten deze week menigten slaags met ordetroepen. Hoewel de aanleiding varieerde, was de rode draad in alle gevallen het verdwenen respect voor het gezag en de afwezigheid van angst voor de militairen. Deze Nieuwe Ordeloosheid begon enige weken geleden met plunderingen van koffieplantages en garnalenvijvers en overvallen op vrachtauto's.

De toeschietelijkheid van donorlanden en internationale financiële instellingen wordt gemotiveerd door humanitaire en internationaal politieke overwegingen. De geïndustrialiseerde landen zijn niet gebaat bij een massale hongersnood in Indonesië (die niet ver weg lijkt) en nog minder bij een mogelijke desintegratie en verdere destabilisatie van deze strategisch gelegen natie. Buitenlandse investeerders en bankiers, belangrijk voor de doorstart van de zwaar gehavende Indonesische economie, maken natuurlijk geheel andere afwegingen gebaseerd op de rentabiliteit van geïnvesteerd kapitaal. En dan wordt het relevant om voorbij de etalage van Habibie's goede bedoelingen te kijken naar zijn voorraad oude kwalen. Anders gezegd: te onderzoeken of de recente ontwikkelingen in Indonesië leiden naar een stabiele, democratische staat of dat in werkelijkheid sprake is van een voortzetting is van het systeem van de Nieuwe Orde, maar dan zonder Soeharto. Habibie's critici menen dat dit laatste het geval is: Soeharto is wel weg, maar het 'Soehartoïsme' is gebleven.

Het risico dat de algehele onvrede overslaat van het platteland van Java naar het stedelijke proletariaat van Jakarta is niet denkbeeldig, ook al omdat het gezien de arbeidsmigratie vaak gaat om dezelfde mensen. De positie van Habibie zal in dat geval al snel onhoudbaar blijken en het vertrouwen in hem gesteld door internationale financiële instellingen en donorlanden, misplaatst.