Een bevrijdende schaamte

In De schaamte schildert Annie Ernaux met een fijn penseel het jaar 1952. Ik ben mij ervan bewust dat 1952 iets anders is dan 1946 en dat Frankrijk iets anders is dan Nederland, maar dat maakt het gevoel van herkenning, de gewaarwording dat dit boek over mij gaat, des te frappanter.

Het speelt in Yvetot, zevenduizend inwoners, ergens tussen Le Havre en Rouen. Haar vader en moeder hadden daar een winkeltje waar kruidenierswaren werden verkocht en drank werd geschonken. Op 15 juni 1952 was ze er getuige van dat haar vader haar moeder wilde vermoorden. Dat was een zondag, de dag van de mis, het schone ondergoed, gebakjes van de banketbakker, de dag van pretjes en verplichtingen.

Annie Ernaux was toen bijna twaalf. Na de mis had ze haar zondagse kleren verruild voor een makkelijk wasbare jurk. Toen ze tussen de middag aan tafel gingen, waarschijnlijk met de radio aan, want op dat uur van de dag had je een komisch programma, begon haar moeder ruzie te maken met haar vader en dat ging zo door tot de getergde man een mes uit het hakblok rukte om zijn dominante vrouw het zwijgen op te leggen.

'Later zijn we met ons drieën wezen fietsen op het land in de omgeving.'

Rond deze gebeurtenis (of de herinnering eraan; het boek is van '97) roept Annie Ernaux een beeld op van de toenmalige wereld. Stalin, Churchill en Eisenhower leefden nog, Elisabeth werd gekroond tot koningin van Engeland. Maar eigenlijk was die wereld nauwelijks groter dan je woonplaats en daarbinnen kon je je positie bepalen in een eenvoudig systeem van verschillen - het verschil tussen 'van ons' en 'niet van ons', binnen en buiten het stadje, de ene buurt en de andere, de ene straat en de andere, de gemeenteschool en de nonnenschool, verschillen tussen de dagen van de week en de tijden van het jaar, verschillen van leeftijd, verschillen tussen vrouwen en mannen, tot in hun gebaren toe.

Bij de één: 'De strijkbout vlak bij je wang houden om te controleren of hij heet is, op je handen en voeten gaan zitten om de vloer te dweilen of op je hurken om het eten voor de konijnen te plukken, 's avonds ruiken aan je kousen en onderbroek.'

Bij de ander: 'In je handen spugen voor je de schop beetpakt, een sigaret alvast achter je oor steken, schrijlings op een stoel gaan zitten, het zakmes dichtklappen en in je zak steken.'

Hoe je mensen kon plaatsen door hun manier van praten, hun manier van kleden. Hoe iedereen voortdurend bezig was iedereen in de gaten te houden, hoe het doen en laten van iedereen voortdurend door iedereen besproken werd, zijn werklust, zijn koopgedrag, zijn drankgebruik, tot aan zijn gezondheid toe.

'Gezondheid was een deugd, zij is ziekelijk evengoed een beschuldiging als een blijk van medelijden. Ziekte kleefde hoe dan ook iets zondigs aan, als een gebrek aan waakzaamheid van het individu tegenover het lot.'

Zo rijst er een wereld op die zowel toverachtig als overzichtelijk is, bewoond door mensen die zowel pittoresk als voorspelbaar zijn. Voor een deel lijkt me dat iets van alle tijden en culturen - zolang er kinderen zijn die zich een weg beginnen te zoeken, zal er wel een wereld zijn die deze trekjes vertoont (hier zou je even aan dat boekje van Jona Oberski kunnen denken; zelfs in het kamp wisten kinderen zich een bruikbare wereld te scheppen). Vandaar ook dat het verhaal van Ernaux je in al zijn Fransheid zo vertrouwd kan voorkomen. Maar voor het overige moeten dit toch ook eigenschappen van die wereld zelf zijn geweest, bepaald door plaats en ogenblik, Normandië kort na de oorlog, en dus onderhevig aan vergankelijkheid.

Voor Annie Ernaux in ieder geval gaat alle samenhang, heel dit conglomeraat van vanzelfsprekendheden, aan flarden op het moment dat haar vader zijn hand, het mes, opheft tegen haar moeder. Op dat moment bevangt haar een verschrikkelijke schaamte.

Op zondag 22 juni, een week na die gebeurtenis, deed ze mee aan het feest van de Christelijke Jeugd in Rouen. Diep in de nacht werd ze thuisgebracht door haar juffrouw en enkele medeleerlingen. Ze bonsde op de deur van de winkel. Na geruime tijd ging het licht aan en daar verscheen haar moeder, 'met verwarde haardos, slaapdronken, in een gekreukelde nachtpon waar vlekken op zaten (we veegden ons er na het plassen mee af).'

Haar juffrouw en medeleerlingen gaapten deze vrouw verbijsterd aan. Voor het eerst zag Annie Ernaux haar moeder met de ogen van de katholieke school, een vrouw die er uit zag zoals ze er uit zag en er onmogelijk ànders had kunnen uit zien - want wat had ze anders kunnen dragen dan die nachtpon?

'Kamerjas of peignoir werden in ons milieu beschouwd als een luxeartikel, dat ongepast, ja zelfs bespottelijk was voor vrouwen die zich zodra ze wakker worden aankleden om aan het werk te gaan.'

Zo grijpt de schaamte om zich heen. Alles wat bij haar bestaan hoort, komt in het teken van schaamte te staan. En dat is allemaal begonnen op het moment dat ze zag dat haar vader haar moeder wilde vermoorden. Nergens in mijn wereld, schrijft ze, was plaats voor deze scène.

Ik weet het niet. Voor mij als lezer heeft deze scène toch ook iets van een bliksemflits bij een zwaar bewolkte hemel, vervaarlijk maar niet al te verwonderlijk. Zij creëert een nieuwe samenhang, en daarin is de schaamte van Annie Ernaux niets anders dan een opstapje naar wat niet per se als een verdrijving, maar ook als een bevrijding kan worden opgevat - de bevrijding uit het paradijs.

Ondertussen wekt dit leesgenot een onbedaarlijke behoefte op aan schrijfgenot. Het liefst zou ik nu mijn 1946 ook rond zo'n drama inrichten, onder zo'n bliksemflits laten oplichten. Maar ik weet niks. Dat is nou eenmaal eigen aan je geboortejaar: je bent er wel, je doet al mee, je bent meteen begonnen jouw deel van de hulpbronnen van deze wereld op te eisen - maar je weet nog van niks.

Soms denk ik in dit verband aan mijn moeder, die mijn zusje aan de hand en mij op de arm neemt om een foto te laten maken voor mijn vader in Indië. Een studio in 1946 in Arnhem, dat kan ik me voorstellen. En dan laat ik mijn moeder en mijn zusje voor wat ze zijn om in de huid van de fotograaf te kruipen, een rattige man met ontstoken ogen, korstjes aan zijn wimpers. In de oorlog heeft hij ook al niks goeds gedaan en nu verzamelt hij de adressen van al die jonge moeders die zich komen laten fotograferen voor hun mannen in Indië. Dus iedereen zit tot aan zijn nek in de wederopbouw en die man maar profiteren; die is zijn tijd ver vooruit, die belichaamt eigenlijk de jaren '90 al.

Goed, het onweer heb je dan nog niet, maar de wolken trekken al aardig samen, nietwaar?