De landsmoeder; Koningin Wilhelmina in de volksverbeelding

Koningin Wilhelmina is in de overlevering teruggebracht tot de onverzettelijke, sombere oorlogsvorstin, 'krijgshaftig in haar vormeloze jas', zoals de dichter zei. In Het Loo ging gisteren de tentoonstelling 'Koninklijk Gekleed Wilhelmina 1880-1962' open; maandag, op haar verjaardag, gaat een toneelstuk over haar in première. Historicus Cees Fasseur, schrijver van Wilhelmina's biografie, ziet een stralende jonge sprookjesprinses tot leven komen.

In de verbeelding van het Nederlandse volk, voorzover dit nog enige herinnering heeft aan haar lange regering, is koningin Wilhelmina blijven voortleven als de strijdbare oorlogskoningin, als de stem uit Londen, als de oudere, archaïsch geklede dame met bont en vos die met hoge stem en gebalde vuist voor radio-Oranje opriep tot verzet tegen nazi-Duitsland. Zo gaf Charlotte van Pallandt haar vorm in haar bekende beeld van Wilhelmina. Niet minder robuust en onverzettelijk is de gedrongen vrouwenfiguur van Mari Andriessen die een plaats vond in het Utrechtse Wilhelminapark. Dat beeld van Andriessen inspireerde Ida Gerhardt tot een prachtig gedicht:

Daar staat zij ongebroken en paraat De landsmoeder die zij ons altijd was krijgshaftig in haar vormeloze jas: 'Wij Wilhelmina', zéér tegen de draad. Waag u, binnen haar krachtveld op het gras: gij zult een souvereine wil ontmoeten die u gedoogt en tegelijk weerstaat. Zij slaat u met een zwaarte in de voeten alsof ge tegen rijzend tij ingaat. Toch heeft een andere koningin, de jonge Wilhelmina, in dit herdenkingsjaar de meeste aandacht gekregen. Haar inhuldiging in Amsterdam op 6 september 1898 blijft onverbrekelijk verbonden met de stralende, jonge sprookjesprinses, zoals zij door Thérèse Schwartze en Nicolaas van der Waay werd geschilderd: Een koningin van pas achttien jaar die in de Nieuwe Kerk de eed aflegde op de Grondwet, gehuld in dezelfde koningsmantel als haar kleindochter Beatrix bij háár inhuldiging in 1980 zou dragen. Ook een toen heel pril nieuw medium, de film, legde dat beeld vast, al liet de stand van de techniek slechts opnamen buiten de kerk toe.

Als goed ogende jonge vrouw en bekwaam amazone, als 'Queen Pretty Face' zoals Amerikaanse bladen haar noemden, bleef zij lang na 1898 in de herinnering voortleven. Zorgvuldig gecomponeerde staatsiefoto's, waarop de geringe lichaamslengte van het staatshoofd bekwaam verdoezeld werd, werkten daaraan mee. Het is niet de geringste verdienste van de gisteren in Paleis Het Loo te Apeldoorn door prinses Margriet geopende tentoonstelling Koninklijk Gekleed Wilhelmina 1880-1962 dat deze ook en vooral die andere, zoveel jongere, Wilhelmina weer tot leven brengt.

De tentoonstelling besteedt veel aandacht aan de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog, toen er nog druk besteld werd bij Parijse modehuizen. De frisse kleuren van Wilhelmina's jurken staan in schril contrast tot de vaak saaie zwart-wit foto's die van haar gemaakt werden en de doorgaans sombere, eenvoudige, kledij waarin zij zich vooral op oudere leeftijd placht te hullen.

Al kort na haar geboorte uit het huwelijk van de bejaarde koning Willem III en de jeugdige prinses Emma van Waldeck-Pyrmont was Wilhelmina het lievelingskind van de natie. Wie niet onder de indruk kwam van de charme van haar jeugdportretten en foto's, waarop zij zo fier en parmantig met ezel, hond of pony staat afgebeeld, moest wel een hart van steen hebben. Het 'koninginnetje met hangend haar' werd niet alleen in de wereld van de filatelie een begrip.

Hoe tragisch was daarbij haar eenzaamheid, al zal haar omgeving dat misschien beter hebben beseft dan de jonge prinses zelf. Op tienjarige leeftijd verloor zij haar vader en leefde zij als enig kind zonder broers en zusters in een land waar het toen krioelde van kinderrijke gezinnen, was zij afgezien van haar moeder alleen op de wereld. Zelfs het onderwijs dat zij genoot was strikt individueel.

Maar dat kind was tegelijk van levensbelang voor Nederland. Zij was immers de laatste Oranje, de enige die stond tussen het nationale vorstenhuis en een of andere vreemde Duitse dynastie, waaraan volgens de Grondwet de troon onvermijdelijk moest toevallen als zij kinderloos mocht overlijden.

Emma, die tot aan haar dood in 1934 nauw met Wilhelmina verbonden bleef, zorgde ervoor dat haar dochter een uitstekende opvoeding kreeg. Het onderwijs werd gegeven door zorgvuldig geselecteerde docenten. Niet alleen op hun geleerdheid maar ook op hun didactische kwaliteiten werd gelet. Zo werd zij veel beter op haar taak voorbereid dan bijvoorbeeld haar Engelse tijdgenoot koning George de Vijfde (1910-1936), een echte protocol-freak en ook in intellectueel opzicht verre haar mindere. Het oordeel van de Britse Prime Minister Lloyd George over hem ('there was not much inside his head') zou niet licht in het hoofd van een Nederlandse minister-president zijn opgekomen ten aanzien van Wilhelmina.

Emma regelde ook het huwelijk dat Wilhelmina op twintigjarige leeftijd sloot met de Duitse hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin (1876-1934), de jongste van elf kinderen en volgens zijn ontactische familieleden 'oerduits van hoofd tot voeten'. Het huwelijk beloofde veel maar bleef de eerste jaren kinderloos. De net niet door de koninklijke oren opgevangen voorspelling van de Amerikaanse gezant op de verlovingsreceptie, dat de hertog met zijn stierachtig uiterlijk haar 'a good stock of boys' zou bezorgen, bleef onvervuld.

In 1902, pas een jaar getrouwd, bezweek zij bijna aan een tyfusinfectie. De miskraam die van haar ziekte het gevolg was, en waarover in het geheel niet geheimzinnig werd gedaan, versterkte de gevoelens van verbondenheid en sympathie met de door het lot zo zwaar getroffen jonge koningin. Nederland, althans het niet-socialistische deel daarvan, sloot haar in het hart. Toen in 1909 na drie miskramen Juliana, haar enige kind, werd geboren, was de Britse gezant verbaasd over 'het intense enthousiasme' dat zich van de bevolking had meester gemaakt.

Hoe toepasselijk bleef het bijbelwoord dat de hofprediker, dominee Van der Flier, had gekozen toen hij op 10 september 1898 bij haar blijde inkomste in de residentie was voorgegaan in de Grote Kerk. Het was ontleend aan het bijbelboek Ezra (3:11) : 'En al het volk juichte met groot gejuich'. Dat de door Troelstra zo onbezonnen aangekondigde socialistische greep naar de macht in november 1918 zo jammerlijk schipbreuk leed, kon dan ook achteraf weinig verbazing wekken.

Iron lady

Wie Wilhelmina beter kende, wist dat zij haar slechte humeuren had, dat zij grillig kon zijn, koel, afstandelijk en ongenaakbaar. En zij had haar vooroordelen, bijvoorbeeld waar het de katholieke kerk en het pauselijke leergezag gold. 'Echt steil-Protestantsch' en 'een dorre schwunglose persoonlijkheid', was het oordeel van een boze Diepenbrock toen zij in 1910 verstek liet gaan bij een uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw, naar hij dacht omdat er een te katholiek geachte cantate van zijn hand op het programma stond.

Zij boezemde ontzag in maar ook vrees. Zij werd al spoedig na het begin van haar regering een iron lady. Aan haar vaste wil, beslistheid en grondige dossierkennis kon of hoefde niemand uit haar omgeving te twijfelen.

Maar op haar populariteit leek dit alles van weinig invloed. Zorgvuldig deed zij in brieven aan haar moeder verslag van bezoeken en reizen die zij door het land maakte en bijna altijd vinden wij in die beschrijvingen de tevreden vaststelling dat het volk jubelde en juichte, zoals het dat sinds mensenheugenis had gedaan. Dat gejuich klonk zelfs luider toen in het midden van de jaren dertig ook de sociaal-democraten de strijdbijl begroeven, hun principieel republikeinse opstelling loslieten, Prinsjesdag en troonrede niet langer boycotten, ja, bijna monarchist werden onder de druk van de crisisellende en de dreiging van Hitler-Duitsland.

Of, zoals Michel van der Plas dat heel mooi omschreef in een in de jaren zeventig gecomponeerd cabaretliedje voor Wim Kan:

'Ik heb haar nog gezien, hier in mijn hoofd staan foto's: de ouwe Willemien, in hoge zwarte auto's. De ouwe koningin van 't stille Nederlandje, met haar kordate kin en het verstarde handje: dat wuifde wat het kon, terwijl haar hoofd maar knikte in een Oranjezon waarachter 't lot beschikte: in golven van hoezee - en zelfs de Socialen juichten al zachtjes mee in 's lands vergaderzalen.' Het nationale vorstenhuis groeide in de bange jaren na 1933 uit tot het antitotalitair en anti-Duits symbool van een verenigd vaderland. Naarmate de internationale situatie zich dreigender liet aanzien, werd Nederland zich sterker van de eigen identiteit bewust. Op treffende wijze had Wilhelmina al in september 1933, kort na de machtsovername door Hitler in Duitsland, aan dat gevoel uitdrukking gegeven bij de viering van haar 35-jarig regeringsjubileum. In een toespraak in het Olympisch Stadion te Amsterdam - misschien wel de enige keer dat zij voor de microfoon in de open lucht een grote menigte toesprak - bracht zij haar diepste overtuiging kernachtig onder woorden: “Wij willen ons zelf zijn en blijven.”

Naast haar diep gewortelde godsdienstige overtuiging was de liefde voor het vaderland de bezielende kracht van haar leven. 'Leve het vaderland', was de leus die zij bij al die grote vooroorlogse manifestaties te pas en soms ook wel eens te onpas aanhief.

Sobere jaren

Haar finest hour moest toen nog komen. Dat werd Londen, hoe tragisch die oorlogsjaren voor haar land en haarzelf ook mochten zijn. Het valt niet mee om op bijna zestigjarige leeftijd met medeneming van een paar koffers en onder achterlating van vrijwel alles dat iemand dierbaar is, asiel te moeten zoeken in een vreemd land. Zeker gold dat voor Wilhelmina, die met alle vezels verknocht was aan Nederland.

Hoe ontredderd zij in Londen aankwam, legde koning George de Zesde vast in zijn dagboek. Nadat ze hem in de vroege ochtend van 13 mei in een telefoongesprek tevergeefs had gesmeekt vliegtuigen te zenden om haar land te verdedigen, wachtte hij haar later die dag aan Liverpool Street Station op. Ze vertelde hem hoe zij bij haar vertrek uit Den Haag niet de bedoeling had gehad haar land te verlaten maar noodgedwongen naar Engeland was uitgeweken. Dat bleek ook uit haar bagage. 'She was naturally very upset and had brought no clothes with her.'

De Britse regering zag haar graag komen als beste garantie dat Nederland aan Britse zijde de strijd zou voortzetten. Hitler daarentegen had al op 2 april 1940 in een order aan de Duitse Wehrmacht gelast de vlucht van de Noorse en Deense koning tot elke prijs te voorkomen. Niets wijst erop dat hij tegenover het Nederlandse staatshoofd een andere gedragslijn wilde volgen. Wie haar besluit haar land te ontvluchten, afkeurt, weet dus in welk gezelschap hij zich bevindt.

Toch zijn het die vijf sombere en sobere Londense jaren geweest die Wilhelmina's naam en prestige blijvend hebben gevestigd. Zij was in de beeldspraak van L. de Jong niet alleen de strijdbare vorstin maar ook de 'moederlijk leidster van het grote gezin dat het Nederlandse volk is'.

Veel is de beeldvorming over Wilhelmina aan hem verschuldigd. Want zijn bewondering, om niet te zeggen verering, voor de oude koningin is in zijn veeldelig werk over de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een in het oog lopende constante. Natuurlijk maakte zij ook fouten, was ze bijvoorbeeld veel te optimistisch over de heroïsche strijd die het Nederlandse 'heldenvolk' tegen de Duitse bezetter voerde, was haar ijveren voor de naoorlogse 'vernieuwing' van het land en haar regering irreëel, inconstitutioneel en zelfs gevaarlijk, haar ondankbaarheid jegens Gerbrandy en anderen soms groot. Maar afgezien van deze tekortkomingen is het beeld dat De Jong van de koningin schetste, vrijwel zonder voorbehoud overweldigend positief.

Wat misschien nog meer zegt, ook Wilhelmina's Engelse omgeving was onder de indruk van de onverzettelijkheid van 'this intrepid old lady'. Haar gelijkenis met Victoria, zowel in uiterlijk als in optreden, trof de Britse ambassadeur Sir Nevile Bland, die haar van Den Haag naar Londen was gevolgd, en hij was de enige niet. Hoeveel wijzer gedroeg zij zich ook dan haar minister-president Gerbrandy die het nog in augustus 1943 bestond tijdens de lunch aan mevrouw Bland uit te leggen dat de Duitsers de concentratiekampen hadden afgekeken van de Engelsen in de Boerenoorlog; in gemeenheid waren beide volken aan elkaar gewaagd. Ondanks haar protesten had hij voet bij stuk gehouden.

Mevrouw Bland toonde over meer tact te beschikken toen zij de vrouw van de Amerikaanse gezant bezwoer tijdens een theevisite bij Wilhelmina niets te zeggen van de lippenstift die de jonge prinses Juliana in Ottawa gebruikte, 'as I felt it would greatly add to her worries'.

Persoonlijke moed legde Wilhelmina aan de dag tijdens de bombardementen op Londen in de zomer en herfst van 1940. Ogenschijnlijk onverstoorbaar onderging zij die in de schuilkelder van het hotel waar zij 'in de erge nachten' onderdak vond.

Zij kon ook goed haten. Met een onverzoenlijke haat richtte zij zich tegen Hitler en tegen alles waar hij en zijn Derde Rijk voor stonden. Het defaitisme van een De Geer, haar eerste minister-president in Londen, kwam haar onbegrijpelijk voor. Aan Churchill liet zij in 1944 weten dat zij zich ernstige zorgen maakte over de nieuwe, nog in nationaal-socialistische geest opgevoede, generatie Duitsers waarmee Nederland na de oorlog aan zijn landsgrenzen te maken zou krijgen. Konden de onverzoenlijke nazi's niet naar een of andere uithoek van Siberië worden gedeporteerd? Churchill vertelde haar aan de lunch dat Stalin al vijf miljoen Duitsers had opgeëist voor tewerkstelling in de Sovjet-Unie. De ook aanwezige Bland kreeg de indruk dat de koningin dit een prima idee vond, maar dat het haar niet afdoende leek om haar zorgen weg te nemen.

Haar Mecklenburgse en Waldeckse familie, voorzover die met het nationaal-socialisme heulde, spaarde zij evenmin. Voor haar waren die familieleden dood, 'for now and for ever'. Zij heeft inderdaad woord gehouden.

Heldenvolk

Haar terugkeer naar Nederland in het voorjaar van 1945 werd tegelijk het hoogtepunt en het dieptepunt van haar leven. Haar liefste wens was vervuld maar van de verwachte 'vernieuwing' kwam weinig tot niets terecht. Haar laatste regeringsjaren gaven naast de wederopbouw vooral de restauratie van het vooroorlogse Nederland te zien.

Voor Wilhelmina moet dit een even teleurstellende als verrassende ontknoping van haar lange regering zijn geweest. Voor haar lievelingsdenkbeeld van een gewijzigde Grondwet en een sterk koninklijk bewind, dat zijn bestaansrecht zou ontlenen aan de gebundelde krachten van de vroegere illegale strijders, het 'heldenvolk', ontbrak in de naoorlogse constellatie vrijwel iedere steun.

De Tweede Kamerverkiezingen van mei 1946 bewezen de taaie kracht van de vooroorlogse politieke partijen en verhoudingen. Het kabinet-Beel, dat vervolgens het roer in handen nam, wilde geen staatkundige experimenten. In haar drie weken later, op 23 juli 1946, voor het nieuwe parlement uitgesproken troonrede restte Wilhelmina weinig anders dan haar voldoening uit te spreken over de 'terugkeer tot normale grondwettelijke vormen en stabiele staatkundige verhoudingen'.

Haar gemakkelijk schikken in de oude constitutionele kaders laat zich mede verklaren uit de lessen die haar in haar jeugd waren ingeprent. Zij kende de grenzen die de Grondwet haar stelde maar al te goed, èn de nimmer aflatende verleiding die grenzen te overschrijden, wanneer het landsbelang dat in haar ogen leek te vorderen en haar ministers onvoldoende tegenwicht boden. De teleurstelling dat na korte tijd al weer zoveel aan het oude herinnerde en haar ontgoocheling over de ontwikkelingen in Indië maakten de wens om spoedig af te treden wel sterker.

Bovendien was zij fysiek aan het einde van haar krachten. Uiteindelijk heeft zij slechts met moeite de halve eeuw die haar regering zou beslaan volgemaakt. Háár bevrijding kwam op de dag van haar troonsafstand op 4 september 1948. Voor het laatst trad zij uit haar sindsdien teruggetrokken bestaan in de openbaarheid bij de viering van Bevrijdingsdag op 5 mei 1960 op Paleis Het Loo.

De Apeldoornse schoolkinderen zongen haar vaderlandse liederen toe. Na afloop van de zanghulde stond zij van haar stoel op, balde de vuist en riep luid: 'Leve het vaderland!' Haar reactie zal haar jeugdig gehoor misschien hebben bevreemd maar gaf wel precies aan wat de rode draad in haar leven was geweest.

In de kritieke jaren tussen 1940 en 1945, toen zovelen in leidende posities de verkeerde keuzes maakten en diep vielen, stelde zij niet teleur. Die herinnering heeft de halve eeuw die sinds haar troonsafstand in 1948 verlopen is moeiteloos overleefd.

Ida Gerhardt: 'Verzamelde gedichten' (Querido, Amsterdam 1992); Michel van der Plas: 'Ben je bedonderd, ben je belazerd. Verzameld cabaret' (Anthos, Baarn, 1993).