CHOLERABACTERIE KOMT ALGEMEEN VOOR IN NEDERLANDSE SLOTEN

Vorig jaar kwam een Noord-Hollandse melkveehouder in de publiciteit omdat zijn veestapel al lange tijd geplaagd werd door merkwaardige gezondheidsproblemen en een onverklaarbaar hoge sterfte. Volgens de boer uit Burgerbrug lag dat aan de slechte slootwaterkwaliteit, volgens de autoriteiten echter aan zijn gebrek aan vakmanschap.

In een aantal van de gestorven dieren op het bedrijf, en ook in het omringende oppervlaktewater, werd de cholerabacterie Vibrio cholerae aangetroffen. Het gaat niet om de stam die cholera bij mensen veroorzaakt, maar om een verwante stam. Bij nader inzien blijkt deze cholerabacterie in het Noord-Hollandse en Friese oppervlaktewater algemeen voor te komen, vooral daar waar het water enigszins brak is. De bacterie kan worden verspreid door vissen, schelpdieren en vogels. Dat melden de onderzoekers ir. Henno van Dokkum van TNO-MEP en drs. Ingrid Visser van de Gezondheidsdienst voor Dieren in het vakblad HO (21 augustus 1998).

Wereldwijd zijn van de cholerabacterie meer dan 140 stammen (serotypen) bekend. Daarvan veroorzaken de serotypen O1 en O139 epidemische cholera-uitbraken bij de mens. De overige serotypen worden doorgaans aangeduid als non-O1/non-O139 stammen. Ze kunnen bij de mens diarree en bloedvergiftiging veroorzaken, maar ook klachten zoals ontstekingen aan huid, ogen en oren door contactinfecties. Besmetting kan ontstaan door direct contact met besmet oppervlaktewater of na het eten van onvoldoende verhitte visproducten.

Bij landbouwhuisdieren kan besmetting met non-O1/nonO139 stammen leiden tot sterfte na een korte, heftige diarree. Vooral in Oost-Europese landen, zoals de voormalige DDR en Roemenië, heeft men daar ruime ervaring mee.

Ook bij de genoemde boer in Burgerbrug stierven diverse schapen een plotselinge dood. Bij pathologisch onderzoek bleken ze een sterk overvulde, waterige darminhoud te vertonen. Eén schaap had bovendien aan een chronische buikvliesontsteking geleden. In darminhoud en lever van de gestorven dieren werd V. cholerae aangetoond. Er volgde een uitgebreider onderzoek, waarbij in augustus 1997 in totaal 34 watermonsters werden genomen op 12 locaties in Noord-Holland en Friesland. In 14 van de 34 watermonsters, op 5 van de 12 locaties, bleken cholerabacteriën te zitten.

Volgens de onderzoekers zullen de meeste laboratoria deze bacteriestam niet routinematig herkennen en daardoor wordt de pathogene betekenis van de bacterie mogelijk onderschat. Vooral in brakke, waterrijke gebieden met een relatief hoog zoutgehalte van 0,7 tot 0,8 promille voelt Vibrio cholerae zich kennelijk thuis. Onduidelijk blijft of het om een nieuw verschijnsel gaat of om een bacterie die altijd al in het Nederlandse oppervlaktewater voorkwam.

Aangezien de cholerabacterie ook werd aangetroffen in gebieden waar het vee géén speciale gezondheidsproblemen heeft, vermoeden Van Dokkum en Visser dat deze besmetting niet de hoofdoorzaak kan zijn geweest van de veesterfte in Noord-Holland. Wèl is duidelijk dat de bacterie acute sterfte kan veroorzaken onder jonge dieren en bij dieren met een verminderde weerstand. Nader bacteriologisch onderzoek, verspreid over de seizoenen, lijkt daarom zeer gewenst.