BEATLES 3

In zijn recensie 'Muziek is muziek, meer niet' (W&O, 21 augustus) bespreekt Harm Visser het proefschrift van Ger Tillekens, dat over 'het geluid van de Beatles' gaat. Vissers vraag luidt of muziek naar iets anders kan verwijzen dan naar zichzelf. Zijn antwoord op die vraag is 'nee'.

Het mijne zou 'ja' luiden. Vanaf de Middeleeuwen is er al een 'canon' bekend van de betekenis van toonsoorten en harmonieën. Zo staat bijvoorbeeld C-groot voor grootsheid en vreugde, d-klein daarentegen voor verstilling en verdriet (Het is dan ook niet verwonderlijk dat het requiem van Mozart en dat van Fauré beide in d-klein beginnen).

Ik weet niet of er empirisch onderzoek is gedaan naar de beleving van verschillende toonsoorten, maar in de dagelijkse praktijk kunnen wij wel degelijk de verwijzingen van toonsoorten naar bepaalde gemoedstoestanden onderkennen. Zo ervaart iedereen de filmmuziek bij Hitchcock-films als spannend of beangstigend. In één van de strips van Lucky Luke speelt een begrafenisondernemer, die ook trouwpartijen verzorgt(!), op een trouwerij een dodenmars, omdat dat het enige stuk is dat hij op z'n repertoire heeft. Natuurlijk bevalt dat de feestgangers niet. Blijkbaar verwijst de sombere en duistere harmonie van deze dodenmars naar een andere context dan die van de vrolijke trouwpartij.

Kortom, harmonieën en ritmes hebben de kracht om naar iets anders dan zichzelf te verwijzen. Of deze verwijzing zo groot kan zijn dat ze de sociaal-maatschappelijke verhoudingen van een tijdvlak reflecteert, zoals Tillekens stelt over de Beatles-muziek, weet ik niet. Het zou in ieder geval aardig zijn te onderzoeken of de mentaliteit en het chauvinisme van het Nederlandse volk veranderen als ons 'Wilhelmus' voortaan in g-klein in plaats van g-groot gespeeld wordt.