BEATLES 2

Harm Visser verdedigt in de bijlage W&O van 22 augustus het standpunt dat muziek niet naar een buitenmuzikale werkelijkheid verwijst, c.q. kan verwijzen.

Vooral om die reden oordeelt hij sterk negatief over het muzieksociologische werk van Weber en Adorno en het recente proefschrift van Ger Tillekens over het geluid van de Beatles. Daar is op zichzelf niets tegen, zolang duidelijk is dat uitspraken van Harm Visser naar iets anders verwijzen dan naar de uitspraken van hemzelf. De verwijzingen in zijn tekst naar het werk van Tillekens bestaan overwegend uit een specifieke interpretatie van een enkele zin uit de flaptekst van de handelseditie van de dissertatie. Anders dan Visser suggereert heeft Tillekens in zijn studie nergens een rechtstreekse causale relatie verondersteld tussen de harmonieën in de Beatlemuziek tot en met 1964 en de opkomst van de jeugdcultuur in de jaren zestig.

Wat Tillekens wel heeft gedaan is mede in de muzikale kenmerken van de Beatlemuziek een verklaring te zoeken voor hun onmiskenbare invloed op de opkomst van de jeugdcultuur. Hij geeft aan dat deze muziek stem gaf aan een behoefte tot communicatie van emoties die tot dan nog vaag en ongearticuleerd bij jongeren leefde. Weinigen zullen betwisten dat het uitdrukking geven aan emoties een belangrijke eigenschap is van muziek. Tillekens stelt bovendien niet dat de ontwikkeling van de muziek kan worden verklaard uit maatschappelijke factoren. Zijn redenering loopt eerder andersom, en dat is misschien ook het meest vernieuwende van zijn studie, namelijk dat de beatmuziek een autonome culturele factor is in de verklaring van het ontstaan van de jeugdcultuur.

Het door Visser ingenomen standpunt dat muziek naar niets verwijst buiten de muziek zelf, heeft eerder in de grondslagenleer van de wiskunde en de taalfilosofie pendanten gehad binnen de formele logica van Russell en Wittgenstein. Deze leidden uiteindelijk slechts tot een type paradoxen, die ook voor het radicale standpunt van Visser over muziek gelden. Wiskunde, taal en muziek zijn uitingen van menselijke activiteiten. Het zijn geen zelfgesloten systemen, die de oorsprong en de logica ervan in zichzelf vinden. Pogingen dergelijke tautologische structuren te construeren lopen steeds vast op het gegeven dat hoe dan ook een beroep moet worden gedaan op evidenties en postulaten, die niet meer tot het systeem zelf behoren. Wiskunde is meer dan wat kalk op het bord, taal en muziek zijn meer dan voortbrengen van geluidstrillingen in een bepaalde volgorde.

Het interessante aspect van het begeleiden van het dissertatieproject van Ger Tillekens is voor mij als promotor geweest dat hij op zoek was naar de vraag waar nu precies bij de Beatles dat muzikale meer in heeft bestaan en hoe dit mogelijk van invloed is geweest op de ontwikkeling van een jeugdcultuur. Hij heeft dit probleem grondig en nauwkeurig uitgewerkt, maar zeker niet definitief opgelost. Naar mijn oordeel heeft hij het niet gelaten bij het poneren van enkele stellingen of van vage analogieën en metaforen. Het voorwoord wekt niet voor niets op het boek te lezen, naar de muziek te luisteren en dan een oordeel te vormen.