BEATLES 1

In zijn bespreking van G. Tillekens' proefschrift 'Het geluid van de Beatles' (W&O, 22 augustus) stelt Harm Visser dat het onderzoek naar de vraag of muziek naar iets anders kan verwijzen dan naar zichzelf, slechts 'een hoop ideologisch getinte oordelen en vooroordelen' heeft opgeleverd.

Nog afgezien van de diskwalificatie die Visser met deze constatering over het besluit van zijn eigen artikel afroept, waarin hij zijn eigen twijfelachtige steentje aan dit onderzoek poogt bij te dragen, getuigt zijn kritiek op de theoretische achtergronden van Tillekens' werk van weinig inzicht in de materie. Denkt Visser met zijn ietwat triomfantelijk gestelde betoog zelf aan ideologie en (voor-)oordelen te ontkomen? Wat te denken van een fundamentalistische verklaring als 'muziek is muziek', en van holle noties als 'de muziek zelf'? Visser toont zich weliswaar heroïsch in zijn ongenuanceerde negatie - 'muziek is muziek, meer niet', maar gaat even makkelijk als zijn vermeende opponenten voorbij aan de vraag naar de (on)mogelijkheid van muzikale betekenis. Door eenvoudigweg te spreken over 'het feit dat muziek zèlf niets betekent' poneert hij a priori het tegendeel van wat hij meent te vinden bij Tillekens en de zijnen. Kennelijk verbergt hij zich liever achter een verkondiging van het utopische isolement van muziek, dan vuile handen te maken aan de ontologische, epistemologische en semantische problemen waar muziek de mens sinds jaar en dag mee boeit. De genuanceerde debatten die over deze problematiek sinds Joseph Kermans Contemplating Music (1985) in de musicologie zijn gehouden, zijn kennelijk geheel aan zijn deur voorbij gegaan.