Zygmunt Bauman vertaald; Vernietiging: demonische of scheppende bureaucratie

Zygmunt Bauman: De moderne tijd en de holocaust. (Modernity and the holocaust). Vertaald door Jan Willem Reitsma. Boom, 262 blz. ƒ 44,50

Rien Munters (red.): Zygmunt Bauman. Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid. Boom, 175 blz. ƒ 39,50

Zygmunt Bauman: Postmodernity and its discontents Polity Press, 221 blz. ƒ 44,95

In het rumoerige debat naar aanleiding van Daniel Goldhagens Hitler's willing executioners (1996) heeft Zygmunt Bauman zich, voor zover ik weet, nooit gemengd. Toch moet hij het hartgrondig oneens zijn met Goldhagens stelling dat het 'eliminist antisemitism' van het Duitse volk de verklaring levert voor de massamoord op de Europese joden. In Modernity and the holocaust uit 1989 komt deze Britse socioloog van Poolse origine en emeritus hoogleraar aan de universiteit van Leeds immers met een verklaring die in een heel andere richting wijst. Van Baumans terecht veel geprezen boek is nu een Nederlandse vertaling verschenen, en dat maakt het verleidelijk zijn interpretatie te vergelijken met die van zijn jongere Amerikaanse collega.

Bauman ontkent expliciet dat het antisemitisme een afdoende verklaring biedt voor de holocaust. Antisemitisme is bijna iets universeels, betoogt hij, maar de holocaust was een bij uitstek 'modern' verschijnsel, dat zich alleen laat begrijpen vanuit het perspectief van de 'gardening state', een wat bloemrijkere aanduiding van wat hier ten lande de 'maakbare samenleving' pleegt te worden genoemd. De joden moesten worden geëlimineerd omdat zij een obstakel vormden voor het volmaakte Reich dat de nazi-tuiniers op het oog hadden. 'De moord op deze mensen was geen destructie, maar scheppende arbeid', schrijft Bauman met een paradox die zich in het geheugen grift.

Technisch karakter

Alle nadruk komt bij hem te liggen op het technische karakter van de holocaust, dat zowel het doel als de middelen betreft. Want Bauman beschouwt de genocide allereerst als een bureaucratisch proces, geregeerd door rationele principes als efficiency, calculatie van kosten en baten, arbeidsdeling etc. Slechts een modern bureaucratisch apparaat was in staat een gigantische onderneming als de Endlösung te volvoeren. Het antisemitisme was niet meer dan de - noodzakelijke - aanzet; nadat de bureaucratie zich aan de verwezenlijking van Hitlers visioen van judenrein Europa had gezet, was het voor een belangrijk deel háár inherente dynamiek, lang voordien reeds geanalyseerd door de socioloog Max Weber, die zowel uitvoering als resultaat bepaalde.

Aan de bureaucratische ratio, die de morele verantwoordelijkheid vervangt door een technische (waarbij nog alleen functionele efficiency telt), was het volgens Bauman ook te danken dat de daders hun morele bezwaren zo gemakkelijk konden overwinnen. Vandaar dat ideologische instemming, laat staan ideologische geestdrift, in feite overbodig werden; normale discipline, die iedereen zijn per definitie beperkte taak naar behoren deed vervullen, was genoeg.

Het grote verschil met Goldhagens interpretatie ligt uiteraard hier. In zijn ogen was juist ideologische geestdrift het motief van de daders, die daardoor helemaal geen morele bezwaren hoefden te overwinnen. Niet bureaucratische vervreemding, maar haat en overtuiging brachten hen tot hun daden. De politiebataljons, de bewakers van de 'werkkampen' en de begeleiders van de 'dodenmarsen', die Goldhagen en detail onderzoekt, bevonden zich bovendien allerminst op een bureaucratische afstand van de slachtoffers, die door hen met volstrekt onfunctionele wreedheid werden afgemaakt.

In plaats van kille ambtenaren waren zij enthousiaste, initiatiefrijke beulen en folteraars.

Ter ondersteuning van zijn visie komt Goldhagen met zoveel gruwelijk bewijsmateriaal, dat het onmogelijk is hem geen gelijk te geven. Maar daarmee is Baumans interpretatie nog niet meteen ontkracht. Beiden richten hun aandacht namelijk niet op precies hetzelfde object. Bauman analyseert - met gebruikelijke sociologische abstractie - het bureaucratische geheel. Goldhagen concentreert zich vooral op de concrete moordenaars.

Onverschilligheid

Over hen heeft Bauman inderdaad niet veel te zeggen, want de 'psychologische afstand' die hij ergens ter sprake brengt, klinkt in het licht van Goldhagens bloedige feiten wel erg zwak en neutraal.

Daar staat tegenover dat Goldhagen de bureaucratische kant van de holocaust onvoldoende recht doet door zich zozeer te richten op de concrete moordenaars, wier ideologisch gemotiveerde moordlust hij te gemakkelijk uitvergroot tot de overtuiging van bijna het hele Duitse volk. Hij miskent dat de mechanismen die Bauman beschrijft en die eerder harteloze onverschilligheid in de hand werkten dan actieve moordlust, buiten de beperkte kring van concrete daders wel degelijk van kracht kunnen zijn geweest. Daar gold tenslotte niet alleen een psychologische, maar ook een feitelijke afstand, die door het versluierende, technische taalgebruik van de bureaucratie alleen maar werd versterkt.

Om de historische werkelijkheid van de holocaust beter te leren kennen hebben beide interpretaties ongetwijfeld hun belang. De verschillen beperken zich echter niet tot de historische werkelijkheid. Ook over de betekenis die zij aan de holocaust toekennen, zijn Goldhagen en Bauman het niet met elkaar eens.

Bij Goldhagen gaat het om een typisch Duitse aberratie, gevolg van de Sonderweg die Duitsland in de moderne geschiedenis zou hebben gevolgd. Volgens Bauman is dit een benadering, die onwillekeurig de 'angel' uit de herinnering aan de holocaust haalt. Goldhagen richt een muur op tussen de 'demonische' Duitsers en de beschaafde rest van de moderne wereld, terwijl Bauman, door de nadruk te leggen op de bureaucratie, juist tracht aan te tonen dat de holocaust niet in elk opzicht een typisch Duitse aangelegenheid is geweest. Afgezien van 'toevallige' factoren als het moorddadige antisemitisme en de totalitaire Führerstaat, behoren volgens hem alle overige elementen die de holocaust hebben mogelijk gemaakt tot de normale praktijk van de moderne politieke en economische bedrijfsvoering.

Voor Bauman onthult de holocaust daarom waartoe de moderniteit in staat is. Dat verleidt hem niet tot een demonisering van de moderne beschaving. De moderniteit is niet zelf een soort holocaust, maar de holocaust behoort wel voorgoed tot haar mogelijkheden. Goldhagens ideologische fanaten lijken in een andere wereld te wonen, Baumans bureaucraten daarentegen kunnen we nog altijd tegenkomen wanneer we in de spiegel kijken. Hoewel Hitler's willing executioners met al zijn gruwelijke details een veel pijnlijker boek is om te lezen, is Modernity and the holocaust in feite verontrustender. Bauman brengt de 'ondenkbare' verschrikking ongerieflijk dichtbij, Goldhagen houdt deze juist op afstand.

Nu ontbreekt ook bij Bauman de afstand niet, want uiteindelijk verklaart hij de massamoord op de joden uit het simpele feit 'dat alle macht in één man gevestigd was en dat die toevallig hun ras haatte'. Zonder Hitler geen holocaust. Maar deze concessie aan het zo weinig sociologische toeval is voor Bauman geen reden om uit de holocaust niet een belangrijke les te trekken voor het sociologische denken over de moderniteit. De revisie van het gangbare denken hierover lijkt zelfs de voornaamste inzet te zijn van zijn boek.

Falen

Sociologen hebben zich in hun theorieën te gemakkelijk geconformeerd aan de moderne rationele orde, meent Bauman. Om die reden is de holocaust door hen (en niet alleen door hen) vaak opgevat als een afschuwelijk falen van de moderne beschaving. Kennelijk was die beschaving niet sterk genoeg om de 'barbaarse' eruptie van het nationaal-socialisme te voorkomen of tijdig de kop in te drukken. Volgens Bauman getuigt deze visie van een 'mythisch' geloof in de morele superioriteit van de moderniteit, dat door de holocaust wordt weersproken. Niet omdat de moderne beschaving zou hebben gefaald, maar omdat de holocaust in verregaande mate door die zelfde moderne beschaving is voortgebracht.

Wat de ervaring van de holocaust leert is dat rationaliteit en moraliteit ook elkaars vijanden kunnen zijn, een gedachte overigens die al sinds Rousseau door cultuurcritici is verwoord, maar die nog niet eerder op een zo schokkende wijze door de praktijk werd bevestigd. Bauman concludeert daarom dat de moraal niet, zoals bij de meeste sociologen het geval is, moet worden gezien als een product van de maatschappij, maar als een existentieel gegeven dat aan de maatschappij vooraf gaat en dat door de maatschappelijke orde hooguit wordt gemanipuleerd - soms met desastreuze gevolgen.

Met behulp van Levinas' opvatting van de moraal als een 'onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid jegens de ander' probeert Bauman in het laatste hoofdstuk van Modernity and the holocaust de aanzet te geven tot een 'sociologische theorie van de moraal', die hem ook in zijn latere boeken heeft beziggehouden. Een goede indruk van zijn ideeën geeft Zygmunt Bauman in Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid, een door Rien Munters samengestelde bundel met drie lezingen van Bauman, zes interviews en een inleiding.

De nadruk ligt nu niet meer op de holocaust en de moderniteit, maar op de huidige postmoderniteit, die Bauman typeert als een 'moderniteit zonder illusies'. Crisis, complexiteit en veranderlijkheid, waaraan het moderne idealisme van de 'gardening state' hooguit een tijdelijk karakter wenste toe te schrijven, worden nu erkend als normale eigenschappen van onze beschaving, betoogt Bauman. Het verlangen naar stabiliteit, orde en homogeniteit, dat in het nazi-visioen van een Duizendjarig Rijk zijn meest extreme projectie vond, heeft het veld moeten ruimen voor de postmoderne cultus van flexibiliteit, differentie en individuele vrijheid.

Ook voor de moraal heeft dat consequenties. In de postmoderne wereld geldt niet meer de ene verplichtende ethische wet, maar een persoonlijke 'moraliteit', die voortdurend keuzes met zich meebrengt en de onzekerheid van de ambivalentie nooit zal kunnen kwijtraken. Onzekerheid of onveiligheid is nu eenmaal de prijs van de vrijheid, meent Bauman; het heeft geen zin om daar als een verwend kind de ogen voor te sluiten. Beter is het om met die onzekerheid te leren leven, en voor de sociologie ziet Bauman hier nog een mooie taak weggelegd.

Erg verrassende denkbeelden zijn het niet. Hetzelfde geldt voor de bezorgdheid over de tweedeling in de postmoderne consumptiemaatschappij en de afbraak van de verzorgingsstaat, die Bauman eveneens ventileert. En wanneer we hem in zijn meest recente boek Postmodernity and its discontents (1997) vrijheid, verscheidenheid en solidariteit zien aanprijzen als het drievuldige principe van de postmoderne 'wijsheid', dan is er nauwelijks enig verschil te bemerken met de sociaal-democratische retoriek van Tony Blair en Wim Kok. Voor zo'n boodschap hebben we de sociologie niet nodig.

Vrijheid en verscheidenheid

Van de auteur van Modernity and the holocaust had ik eerder wat meer wantrouwen verwacht, niet alleen jegens de zegeningen van markt en consumptieparadijs, maar ook jegens het postmoderne geloof in vrijheid en verscheidenheid. Alleen de solidariteit blijkt geen zaak van geloof, want die moet volgens Bauman door de politiek worden georganiseerd. Dat laatste geeft aan dat Bauman het moderne ideaal van de 'gardening state' niet in elk opzicht heeft verlaten. In hoeverre zo ook de 'illusies' van de moderniteit terugkeren, blijft natuurlijk de vraag. Maar belangrijker lijkt me de vraag in welke mate de moderne technische rationaliteit, waarvan Bauman de meest afschrikwekkende mogelijkheden heeft verkend, nog altijd de postmoderne wereld van veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid bepaalt.

In zijn beste boek suggereert Bauman tenslotte zelf, in weerwil van zijn pleidooi voor een moraal van vrijheid en verantwoordelijkheid, dat elke postmoderne 'wijsheid' groot gevaar loopt een vrome wens te blijven of een nieuwe illusie te worden zolang deze kapitale vraag niet is beantwoord.