Zwarigheid voor het kinderverstand; De Kleine Gedigten van Van Alphen

Hieronijmus van Alphen: Kleine Gedigten voor Kinderen. Bezorgd door P.J. Buijnsters. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Delta-reeks, 223 blz. ƒ 39,90

Jacqueline J.M. de Man: Hieronijmus van Alphen. Literair-theoretische geschriften. Deel 1 Teksten, 279 blz. Deel 2 Commentaar, 277 blz. Dissertatie Katholieke Universiteit Nijmegen (1997). *)

*) Begin volgend jaar verschijnt een handelseditie, bij het Constantijn Huygens Instituut, die te bestellen is bij de afdeling Edita van de KNAW, postbus 19121, 1000 GK Amsterdam, ƒ 95,-

In het jaar waarin de Haarlemse kostschoolhouder Willem van den Hull (1778-1858) werd geboren, publiceerde Hieronijmus van Alphen (1746-1803) zijn Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen, de eerste uit een serie van drie bundels. Van den Hull noteerde in zijn Autobiografie hoe hij kennis maakte met de kinderpoëzie van Van Alphen: 'In den stillen huisselijken kring, en wanneer wij met onze Moeder alleen waren, leerde ze ons, zoodra onze vatbaarheid daarvoor bereekend was, de Kleine Gedichten voor Kinderen van Van Alphen.' Als kind was hij het meest ingenomen met het gedicht over Claartje, een meisje dat verdrietig bij het schilderij van haar overleden moeder zit: 'O, hoe deelde ik in de droefheid van dat lieve kind, hoe gaarne had ik haar opgezocht om met haar te treuren.'

Deze identificatie had ongetwijfeld te maken met de dood van enkele familieleden, waaronder Van den Hulls broertje. Gezeten op de schoot van zijn droevige moeder klonken Claartje's woorden tot God als een schrale troost: 'Dan roep ik, bitter schreiend,/ o God, hebt gij die moeder/ Aan mij zo vroeg ontnomen,/ U mag ik niet berispen,/ Hoe zeer ik haar betreure'. Claartje diende zich, evenals de kleine Willem en zijn moeder, te schikken naar Gods onmetelijke wijsheid en Hem eerbiedig te danken, omdat, zo leerde Van Alphen, voor ieder mens de hemel open is. Van den Hull werd overigens bang en verdrietig tegelijk van de gedachte z'n eigen moeder te moeten missen. In alle kinderlijke onschuld hoopte hij daarom dat God hem samen met zijn ouders en zusjes op dezelfde dag zou laten sterven.

In het voorbericht op de in 1778 uitgegeven Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen schreef Van Alphen dat het geen kwaad kon 'wanneer hier en daar het kinderlijk verstand eene kleine zwarigheid ontmoet'. Bij Van den Hull bereikte deze kinderpoëzie in ieder geval het gewenste effect en gezien de talloze her- en roofdrukken van de Kleine Gedigten kan het niet anders dan dat generaties lezertjes zijn opgezadeld met Van Alphens zwarigheden, waarvan het doodsthema er een is.

Een mogelijke verklaring voor Van Alphens preoccupatie met de dood is, dat hem tijdens zijn leven vele geliefden ontvielen. In de achttiende-eeuwse samenleving lag het sterftecijfer stukken hoger dan tegenwoordig en uit alle sociale klassen brachten families regelmatig zowel oude als jonge verwanten naar de dodenakker - Van Alphens leven was hierin zeker geen uitzondering. Maar hij wist die dagelijkse nabijheid van de dood treffend te verwoorden, zoals in de klacht van de kleine Willem op het sterven van zijn zusje: 'Ach! mijn zusjen is gestorven,/ nog maar veertien maanden oud./ 'k Zag haar dood in 't kistje liggen:/ ach wat was mijn zusje koud! [...] Gistren liep zij met mij speelen;/ gistren nog! en nu - reeds dood!'.

Treurende weduwnaar

Hieronijmus van Alphen kwam ter wereld in het gezin van een Goudse regent, die door zijn vroegtijdige overlijden nauwelijks invloed had op de opvoeding en ontwikkeling van zijn zoon. Het zag er naar uit dat Van Alphen in de voetsporen van zijn peetoom, een dominee-dichter, zou treden. Het voornemen theologie te gaan studeren werd na de dood van deze geestelijke leidsman ingeruild voor een rechtenstudie in Utrecht. Gezien de maatschappelijke posities die Van Alphen in de loop van zijn werkzame leven bekleedde, heeft deze keuze hem zeker geen windeieren gelegd. Achtereenvolgens was hij advocaat voor het Utrechtse Hof, procureurgeneraal, pensionaris van Leiden en thesaurier-generaal der Verenigde Nederlanden.

In 1775 stierf Van Alphens jonge echtgenote, Johanna Maria van Goens, in het kraambed. De achtentwintigjarige vader bleef als treurende weduwnaar met drie zoontjes achter. In het voorbericht van de eerste bundel (de Proeve) noemde hij zijn drie kinderen 'zijn eenig en grootst vermaak' - oorspronkelijk schreef hij de gedichten voor dit drietal. Al snel na het uitkomen van de Proeve, werd duidelijk dat er in het achttiende-eeuwse Nederland grote vraag was naar kleine, speciaal voor het kind geschreven versjes.

Tussen 1777 en 1782, daarna had hij het te druk met z'n carrière, verschenen drie bundeltjes Kleine Gedigten, met in totaal 66 gedichten, die na ruim twee eeuwen met recht het predikaat 'klassiek' verdienen. Tot op de dag van vandaag leven typische Van Alphen-regels, of afgeleiden daarvan, voort in het collectieve geheugen van de Nederlanders: 'Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen'; 'Gezondheid is een groote schat'; 'Geduld is zulk een schoone zaak'; 'Die perzik smaakt naar meer'; en natuurlijk de evergreen 'Eén uur van onbedagtsaamheid/ Kan maken dat men weeken schreit'. Feitelijk komt het er op neer dat Van Alphen de pedagogische verlichtingsidealen - zoals nederigheid, naarstigheid, deugd, dankbaarheid, geduld en godsvrucht - in een voor kinderen en hun opvoeders aantrekkelijke vorm presenteerde. Niet al te lange, voor het merendeel perfect in het gehoor liggende gedichtjes met duidelijke en sprekende voorbeelden uit het dagelijkse leven, verankerden zich na enkele malen lezen in het geheugen.

Het verbluffend vakmanschap van Van Alphen als dichter wordt door de dissertatie van Jacqueline de Man - die een respect afdwingend monnikenwerk verrichtte door zijn literair-theoretische geschriften uit te pluizen en van commentaar te voorzien - in een breder perspectief geplaatst. In de periode dat hij als kinderdichter actief was, hield hij zich tevens bezig met de theorie en filosofie van de poëzie. Zaken als harmonie (de relatie tussen klank en de betekenis van woorden in een gedicht), melodie, ritme, rijm en stijl werden door hem intensief onderzocht.

Niet alleen de tekst, maar ook de aantrekkelijke afbeeldingen van boekillustrator Jacob Buijs (1724-1801) zorgden voor de populariteit van de Kleine Gedigten. Buijs' illustraties passen in de zogenaamde emblemata-traditie, ontstaan in het zestiende-eeuwse Italië. Emblemata of zinnebeelden behandelen zaken of gebeurtenissen die in verband worden gebracht met een opvoedkundige boodschap; in de regel symboliseren de afbeeldingen iets geestelijks of algemeens. Zo is bij het gedicht De Spiegel een illustratie afgebeeld van een meisje dat laveert tussen een spiegel en de bijbel, met daaronder de dichtregels: 'Wil 'k weten wie ik ben,/ Dan moet Gods woord de spiegel zijn,/ Waar ik mijn hart uit ken.' Pas na lezing van het gehele gedicht is de boodschap duidelijk: keer op keer in een spiegel naar de eigen schoonheid staren, is niets anders dan vuige pronkzucht en ijdelheid. De ware schoonheid zit hem in Gods woord; de Bijbel strekt tot voorbeeld, daarin moet men zich spiegelen.

Van Alphens Kleine Gedigten voor Kinderen zijn wegens hun inhoud talloze malen bekritiseerd. Deze moralist zou in zijn poëzie te zoete, te brave en te wijze jongens en meisjes hebben opgevoerd; de wijze waarop hij de godsdienst behandelt zou te drammerig zijn; en ontwikkelings-psychologisch gezien bestaan er geen kinderen die bespiegelingen houden over wat naastenliefde, verdriet, religie en goed gedrag is. Het merendeel van de kritiek is begrijpelijk, zeker na de dorpse kwajongen Dik Trom, het stadse schoffie Pietje Bell en de gedichten van Annie M.G. Schmidt. Maar dit neemt niet weg dat de critici met een a-historische bril naar de dichter keken. Van Alphen probeerde in zijn tijd het klein grut onder andere duidelijk te maken dat je vogelnestjes met rust moet laten, dat ruziën en pesten niet kunnen en dat stelen uit den boze is. En zijn behandeling van de religie betekende een breuk met de orthodox-protestantse traditie kinderen reeds op jonge leeftijd te confronteren met angstwekkende en onbegrijpelijke dogma's over zondebesef, predestinatie en de God der wrake. Bij Van Alphen is Jezus liefde en God, de Schepper van hemel en aarde, een aardige oom.

Vaderliefde

In de Kleine Gedigten voor Kinderen zette Van Alphen de opvoedingsidealen van het Verlichtingsdenken over in een voor kinderen begrijpelijke en voor achttiende-eeuwse begrippen aantrekkelijke taal. Maar wat voor vader was hij zelf in de dagelijkse opvoedingspraktijk?

Kostschoolhouder Van den Hull, opgegroeid met de Kleine Gedigten, noteerde over de dichter als opvoeder, dat Van Alphen 'de teederst lievende vader' was; 'hoe blijkt dat niet uit den onovertrefbaren Bundel Gedichtjes die de liefde tot zijn kroost hem in de pen gaf'. Daarna volgt echter een niet al te mals oordeel. Deze vaderliefde, aldus Van den Hull, maakte hem als opvoeder te toegeeflijk. Van Alphen had zoveel liefde in zich, dat hem de moed ontbrak zijn kinderen met hardere dan liefderijke vermaningen te bestraffen. Verder was hij te goedgelovig: hij zag 'de uiterlijke vertooning van gehoorzaamheid voor weezentlijk berouw aan'. Wanneer kinderen ontdekken dat zij hun ouders op deze wijze kunnen misleiden, dan zijn 'zij voor alle goddeloosheid rijp geworden: want zij leeren huichelen, liegen en bedriegen'. Van den Hull had zelfs gehoord dat Van Alphen eens meende dat zijn zoontjes gehoorzaam in de leerkamer zaten te werken, terwijl hij ze even later spelend in de goten van de Utrechtse Catharijne-kerk vond.

'Het gedrag zijner zonen [heeft] hem het leeven verbitterd', verzuchtte kostschoolhouder Van den Hull. De ingebeelde werkelijkheid van Van Alphens zoetgevooisde kinderpoëzie, waarin enkel modelkinderen figureren, kwam kennelijk niet overeen met de handel en wandel van z'n eigen kroost. Wellicht had de bijbelvaste dichter en kindervriend er beter aan gedaan in de dagelijkse opvoedingspraktijk de pedagogische boodschap uit het boek Spreuken (13, vers 24) na te volgen: 'Die de roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.'