Wilhelmina was een hartstochtelijk mens; Ton Vorstenbosch over koningin Wilhelmina en Guus Vleugel

“Guus heeft me geleerd me op te winden,” zegt Ton Vorstenbosch, toneelschrijver en levensgezel van de onlangs overleden tekstschrijver Guus Vleugel. Vorstenbosch' toneelstuk over koningin Wilhelmina gaat volgende week in première.

Wilhelmina: Je Maintiendrai van Ton Vorstenbosch. Regie: Mette Bouhuijs. Met: Anne-Wil Blankers. Première: 31 augustus, Stadsschouwburg Amsterdam. Inl. 0900-9203.

“Hendrik! Ik gebied het je!” Het is een geknepen, enigszins verhoogd geluid waarmee toneelschrijver Ton Vorstenbosch de titelheldin van zijn nieuwste stuk Wilhelmina, je maintiendrai imiteert. De uitspraak van de vorstin was volgens hem, zelf Hagenaar, 'typisch Haags'. “Niet geaffecteerd, zoals die van haar kleindochter Beatrix, maar wel geacheveerd, met aandacht voor elke lettergreep en met een gematigd tempo, zodat woorden en zinnen rustig en volledig kunnen worden uitgesproken. Móoi - werd er nog maar altijd op die manier Nederlands gesproken. Laatst hoorde ik oud-premier Piet de Jong weer eens, in een oude opname: bij hem vergeleken is Wim Kok een hakkelende stotteraar. Niet alleen de uitspraak maar ook het gebruik van de taal gaat achteruit.”

Anderhalve week na het overlijden van zijn levenspartner, de tekstdichter en toneelschrijver Guus Vleugel, komt Vorstenbosch (1947) vanwege ons gesprek “voor het eerst weer onder de mensen”. Hij vertelt over de dood van Vleugel “op een zelf gekozen tijdstip, in zijn eigen bed en mijn armen”.

Vorstenbosch' toneelstuk Vitaliteit (1982) ging over euthanasie, 'waar alleen mensen die niets over ziek- en sterfbedden weten, tegen zijn'. “Ze weten niet dat de palliatieve zorg helemaal geen alternatief is. Pijnstillers hebben allerlei bijverschijnselen die een kettingreactie van nieuwe problemen veroorzaken, en bovendien is het vrijwel ondoenlijk uit te vogelen welke dosering effectief is zonder dat de patiënt in een halve coma wegzakt. Het lijden wordt er alleen maar groter door, en in elk geval niet kleiner. Zelfs Guus, voor wie van meet af aan vaststond dat hij alles in eigen hand zou houden, heeft dat zijns ondanks ervaren.”

Samen met Vleugel schreef Vorstenbosch sinds hun ontmoeting in 1978 zes toneelstukken, waarvan de laatste, De Tijdaffaire, in november in de Jaarbeurs in Utrecht première gaat. Het is een groots opgezet 'muziektheaterspektakel', op muziek van Erik Visser en geschreven in opdracht van de Rabobank, ter viering van het 100-jarig bestaan. Het libretto heeft, zoals steeds als Vleugel en Vorstenbosch als duo optreden, een actueel onderwerp: de millennium-bug en de onnatuurlijk lange levensverwachting van de mens tegenwoordig.

Actuele tendenzen en trends zijn ook het onderwerp van veel van de ongeveer dertig stukken die Vorstenbosch alleen schreef. Zijn debuut De Stok (1974) ging over het uitzichtloze bestaan van veel bejaarden, De andere wereld over spiritisten, Scheiden over echtscheiding. Maar tegelijkertijd zijn nogal wat stukken van zijn hand historisch geïnspireerd, of gebaseerd op oudere romans. Van de koele meren des doods, bijvoorbeeld, naar het gelijknamige boek van Frederik van Eeden uit 1900, Mata Hari over de Friese spionne, en Een bekentenis naar Marcellus Emants' roman Een nagelaten bekentenis.

Escapades

Koningin Wilhelmina was al eerder onderwerp van een overigens nooit opgevoerd toneelstuk: Hendrik en Wilhelmina. Twee jaar geleden nam Vorstenbosch in een veel succes oogstende reading tijdens het Festival van het Ongespeelde Stuk de Wilhelmina-rol zelf voor zijn rekening. Zijn fascinatie voor Wilhelmina ontstond door het boek Van de prins geen kwaad, waarin Hugo Arlman en Gerard Mulder schrijven over de historische figuur François van 't Sant. Deze politiecommissaris werd door de koningin aangesteld om de erotische escapades van de prins-gemaal in goede banen te leiden en de financiële gevolgen ervan te beperken. Om de beurs van de koningin te sparen pleegde hij valsheid in geschrifte, toen Hendrik weer eens gechanteerd werd door de moeder van een van zijn bastaardkinderen.

“Zo'n affaire is een reuze dankbaar gegeven voor een toneelschrijver, maar in dit nieuwe stuk ging het me niet om een schandaal. Het is dit jaar honderd jaar geleden dat Wilhelmina de troon besteeg: ik wilde een portret van haar maken voordat ze wordt weggespoeld uit het collectieve geheugen. Wat was haar moverende principe? Wat deed haar tikken? Ze had de ambitie - zo niet in eigen ogen de opdracht - om als door God gezondene een grote rol te spelen in de vaderlandse geschiedenis. Dat lukte haar niet; in 1934, het jaar waarin ik mijn stuk laat beginnen is de stemming, mede door de schandalen rondom de zojuist gestorven Hendrik, ronduit anti-orangistisch.

“Pas de Tweede Wereldoorlog bracht haar de zo felbegeerde plaats in de geschiedenis: toen pas, in de laatste jaren van haar lange, lange regeringsperiode, werd ze de moeder des vaderlands.” In zijn toneelstuk illustreert Vorstenbosch de nieuwe positie van de vorstin tijdens de jaren van ballingschap in Londen met het door haar personage veelvuldig gebezigde woord 'vernieuwing'.

“Eindelijk zag ze haar kans schoon zich te ontdoen van het constitutionele juk, dat haar ervan weerhield een grote Oranje te worden. Haar ambitie was in diepste wezen nationalistisch en narcistisch. Het dramatische conflict in mijn stuk is dan ook als het ware onzichtbaar: het speelt zich af in haar hoofd en hart. Het is het conflict tussen droom en werkelijkheid, dat na de oorlog en na haar terugkeer, al snel in een desillusie verkeert en leidt tot haar aftreden. Ik heb het onzichtbare zichtbaar willen maken en ook willen laten zien wat een hartstochtelijk mens Wilhelmina was, ofschoon zeer gereserveerd tegelijkertijd. Ze was geen kille kikker.” Vorstenbosch zegt altijd al belangstelling voor het historische onderwerp gehad te hebben. “Als kind las ik veel en schreef ik ook al. Mijn vader had een sigarenwinkel, mijn belangstelling had ik niet aan hem te danken. Ik ging zelfs gebukt onder de taalarmoede van mijn milieu, de gebrekkige formuleringen, de beperkte woordenschat. Op mijn negende schreef ik een bewerking, in toneelvorm, van het lijdensverhaal. De aanleg was er dus, maar het liep toch niet geheel zoals mijn ouders, typische produkten van de crisistijd, zich hadden voorgesteld. Ik moest naar het gymnasium, maar dat hield ik na drie jaar voor gezien. Ik ontdekte dat ik homoseksueel was en droeg dat zichtbaar uit: ik was mijn eigen choreograaf, als het ware.”

Vorstenbosch was vijftien jaar toen hij een relatie begon met een 38-jarige man en innige contacten onderhield met een maintenée van tegen de vijftig. De vrouw begon volgens hem “net op dat moment uit de tijd te vallen, als vaste, betaalde vriendin”, ze heeft later dan ook “echt moeten gaan zitten”. Over haar en haar tragiek schreef hij het hoorspel Carrie of de seksuele revolutie.

“Beginnerswerk” oordeelt Vorstenbosch nu: wat hij miste was ervaring met de praktijk. Hij ging naar de regie-afdeling van de toneelschool, na acht jaar in een boekhandel en op de documentatie-afdeling van de Haagse krant Het Vaderland werkzaam te zijn geweest. Hij leerde er 'hoe het niet moest'. “De democratiseringsgolf vaagde het hele onderwijs weg. De democratisering van de creativiteit onder de bezielende leiding van goeroe Jan Kassies was het ergste: die man heeft hele generaties studenten verpest. Marx was god en Brecht was zijn profeet. En iedereen was kunstenaar. Gruwelijke tijd, ik zag er niets in, al deed ik wel volop mee met de mode. Ik ging gebukt onder hoofddeksels, gewaden en juwelen. Maar ik geloofde er niets van, dat de acteurs van de Nederlandse Comedie zichzelf planmatig verkochten aan de bourgeoisie, zoals docenten als Paul Binnerts ons voorhielden.

“In die tijd liet Mandelstam al zien hoe verrot de Sovjet-Unie was. Heb je dat gelezen? vroeg ik Binnerts - die de utopie vervolgens rustig verschoof naar China en toen naar Cuba en zo verder. Het rare was: ik kon me over die houding niet echt opwinden, hoe vals alles ook was en hoe diep oneerlijk ik de manier waarop ouderen geschoffeerd werden ook vond. Guus heeft me naast zoveel andere dingen óók geleerd me op te winden en tegelijkertijd het overzicht te bewaren, zodat je ergernis ook nog iets creatiefs oplevert. Hij was daar een meester in.”

Volgens Vorstenbosch verkeerde Vleugel over de rol van het Nederlandse peace-keeping leger bij de val van de moslim-enclave in Srebenica aanvankelijk “in totale woede”. Het omstreden stuk Srebenica! dat zij er naar aanleiding daarvan gezamenlijk over schreven, noemt hij nu zonder aarzeling “pamflettistisch”. “Daar is niets op tegen. Niemand zit toch te wachten op al die idées recues die telkens opnieuw weer worden opgewarmd in het theater? Dat toneel waar we gedachtenloos kennis van nemen om weer tot de orde van dag over te gaan, áls we er al kennis van nemen? Als pamflettisme iets losmaakt, een debat op gang brengt, dat wil zeggen: zorgt dat mensen al-was-het-maar-een-seconde nadenken - dan is het uitstekend. Dan heeft theater weer een functie.

“Guus had een antenne voor trends en de hekeling daarvan. Hij was niet voor niets een groot bewonderaar van Proust. Toen ik hem leerde kennen, zag ik direct wat voor scherpe en originele geest hij had, maar pas nadat ik Proust had gelezen, kon ik echt met hem praten. Onze relatie was een bestemming. Van 1981 gingen we elke middag om half twee bij elkaar zitten om aan iets van hem, van mij of van ons beiden te werken. Die uren waren heilig voor ons. We vormden geen symbiose in de zin dat we onze eigen persoonlijkheid opgaven voor een gemeenschappelijke, integendeel zelfs. We zijn gedurende de twintig jaar dat we samen waren steeds meer ons zelf geworden, in innige verbondenheid. Als zoiets je al overkomt, dan is het slechts éen keer in je leven.

“We hebben samen nog één, onvoltooid gebleven stuk geschreven, met de werktitels Groetjes uit Kaboel of Angst en ellende in het Rijk van Kok. Over de agressie van jonge allochtonen tegen homoseksuelen en met name de ouderen onder hen. Die is er onmiskenbaar: Guus heeft het meer dan eens ondervonden en een makkelijk duidbaar type als ik blijft er ook niet van gevrijwaard. Oude tijden lijken te herleven, alles lijkt weer van voren af aan te beginnen. We moeten lief zijn voor allochtonen, maar die ontwikkeling bevalt me in het geheel niet. Ik wil niet dat alles weer opnieuw begint.