Van rundertoffee tot biefstuk in Coca-Cola; Ruth L. Ozeki over haar satirische debuutroman

“Niets wat je in het leven doet is ooit voor niets”, zegt de Japans-Amerikaanse schrijfster Ruth Ozeki. Na een studie Japanse literatuur en een carrière in de (horror)cinema schreef ze een tragikomedie over giftig vlees en geëmancipeerde vrouwen.

Ruth L. Ozeki: Mijn jaar van het vlees. Uit het Amerikaans vertaald door Ruud Rook. Atlas, 382 blz. ƒ 39,90. De Engelse editie ('My Year of Meat') is verschenen bij Picador.

“Mijn jaar van het vlees wordt omschreven als een protestroman, een satirische aanklacht tegen de uitwassen van de Amerikaanse vleesindustrie. Maar ik ben niet in de eerste plaats in het weergeven van de werkelijkheid geïnteresseerd. Making things up is more fun - en daar komt bij dat de waarheid over wat er in de wereld gebeurt onmogelijk te achterhalen is. Je kunt het beste niet pretenderen om de waarheid te vertellen, en gewoon fictie schrijven.”

De Japans-Amerikaanse schrijfster Ruth L. Ozeki (42) heeft een verleden als documentairefilmer, maar debuteerde deze zomer met een humoristische roman over bloedserieuze onderwerpen: vrouwendiscriminatie, culture clash en de macht van de Amerikaanse hormoonmafia. In Mijn jaar van het vlees vertelt Ozeki afwisselend het verhaal van twee vrouwen wier leven door een televisieprogramma veranderd wordt. Jane Takagi-Little is een Amerikaanse van Japanse afkomst die in opdracht van de Amerikaanse slagersbond een tv-serie over regionale vleesrecepten voor de Japanse markt maakt. Akiko Ueno is een huisvrouw in Tokio die ongelukkig getrouwd is met de supervisor van Jane's programma's. In het 'jaar van het vlees' ontrafelt Jane een agro-farmaceutisch complot én een raadsel uit haar eigen jeugd, terwijl Akiko zich niet alleen bevrijdt van de anorexia waar ze mee worstelt maar ook van de tirannie van haar echtgenoot. Tegen het eind van het zorgvuldig gecomponeerde boek kruisen hun levens elkaar.

“Het idee voor Mijn jaar van het vlees kwam een paar jaar geleden”, vertelt Ozeki met een tongval die haar jeugd in New England verraadt. “Ik maakte voor de Japanse televisie een programma dat veel leek op Jane's My American Wife!, en reisde kriskras door het land op zoek naar typisch Amerikaanse gezinnen en all-American recipes. Genoeg materiaal voor een komedie, leek me, of in elk geval voor een boek waarin ik krankzinnige recepten als 'Rundertoffee' en 'Lendebiefstuk in Coca-Cola' kon verwerken. Aanvankelijk was Mijn jaar van het vlees bedoeld als een satire over de macht van de media, maar naarmate mijn hoofdpersonen duidelijker vorm aannamen, bevredigde me dat niet meer. It was a case of characters looking for an issue. En dus bouwde ik een plot rondom de misstanden in de vleesindustrie, over de kankerverwekkende groeipreparaten waarmee ons geliefde rood vlees vol zit. Mijn boek lijkt een moderne versie van The Jungle, Upton Sinclairs honderd jaar oude roman over de vleesindustrie in Chicago; geen wonder dat mensen me niet geloven als ik zeg dat ik nooit verder dan een bladzij of vijftig in Sinclairs meesterwerk gevorderd ben.”

Mijn jaar van het vlees is een vrolijk boek in de traditie van Ozeki's voorbeelden Kurt Vonnegut (Slaughterhouse Five) en Jane Smiley (Moo), geschreven in een lichte stijl waarin zakelijk proza, geestige dialogen en psychologische bespiegelingen elkaar afwisselen. Tegelijkertijd geeft het een uiterst somber beeld van een carnivoor universum waarin fokvee in no time slachtrijp wordt gemaakt, ten koste van het welzijn van mens én dier. Ozeki laat doorschemeren dat haar 'morbide beschrijvingen' van mishandelde koeien en bloedbesproeide slachthuizen deels zijn terug te voeren op haar ervaringen in de horrorfilmindustrie: “Ik ben art director geweest bij films als Mutant Hunt, Necropolis en Robot Holocaust. Ze hebben nauwelijks de videotheek gehaald, maar ik heb er veel van geleerd. Bijvoorbeeld hoe bloed stroomt en glibbert, of hoe je buitenaards slijm kunt produceren - met boekbinderslijm! Niets wat je in het leven doet is ooit voor niks.”

Ozeki, die als dochter van twee paleologische wetenschappers het gerenommeerde Smith College in Massachusetts bezocht, kwam eind jaren tachtig bij toeval in de filmwereld terecht, toen ze na een doctoraalstudie klassieke Japanse literatuur (aan de universiteit van Tokio) geen ander werk kon vinden. Halverwege de jaren negentig regisseerde ze twee semi-documentaires, waarvan Halving the Bones - “een autobiografische faction film over drie generaties Japanse vrouwen in Amerika” - werd geselecteerd het Sundance Festival, alvorens te eindigen als commerciële flop.

“Mijn ervaringen als halve Japanse in het lelieblanke New England zitten ook verwerkt in Mijn jaar van het vlees. Net als Jane in mijn roman heb ik me als kind nooit helemaal thuis gevoeld tussen de Amerikanen, al was het alleen maar omdat ik altijd de indiaanse prinses in het klassetoneelstuk moest spelen. En net als Jane kwam ik er op latere leeftijd in Japan achter dat ik nooit een echte Japanner zou zijn: ik gedroeg me negentig procent Amerikaans en stak in de metro boven bijna iedereen uit.”

Het schipperen tussen twee culturen is een van de belangrijkste thema's van Mijn jaar van het vlees. Op de vraag of het - net als in de Chinees-Amerikaanse romans van Amy Tan en Maxine Hong Kingston - ook het centrale thema van de Japans-Amerikaanse literatuur is, antwoordt Ozeki: “De tegenstelling tussen de Oude en de Nieuwe Wereld speelt een rol in bijna alle boeken van kinderen van immigranten, of ze nu joods, Mexicaans of Aziatisch zijn. Overigens is de Japans-Amerikaanse literatuur als stroming nog niet erg van de grond gekomen. De bekendste literaire werken over Japanse thema's, zoals de internering van de Japanse Amerikanen tijdens de Tweede Wereldoorlog of de twintigste-eeuwse geschiedenis van Japan, zijn van Amerikanen: Snow Falls on Cedars van David Guterson en Memoirs of a Geisha van Arthur Golden. We wachten nog op baanbrekende figuren als Tan en Kingston.”

Misschien dat Ozeki die rol kan vervullen. Haar roman, gevarieerd en tjokvol metaforen, is er ambitieus genoeg voor; en zelfs de schijnbaar zwakke punten van Mijn jaar van het vlees, het onverwacht opgewekte slot en de soms schoolse uitweidingen over de horrors van de vleesindustrie, worden door de schrijfster met verve verdedigd. “De verontrustende informatie waar de lezer mee gevoerd wordt, is van essentieel belang voor het eind van het boek. Het loopt relatief goed af met Jane en Akiko, maar de wetenschap dat er in de vleesindustrie nauwelijks iets verandert, maakt dat je niet kunt spreken van een happy ending. Eerder van een intellectuele cliffhanger.”