Schiedam krijgt een houten theater; Een elegante Italiaan in de jeneverstad

“Een eenvoudige houten schuur” noemt architect Hans Ruijssenaars het door hem ontworpen Theater aan de Schie, dat onderdeel is van de totale vernieuwing van het Schiedamse stadshart. Het idee voor zijn ontwerp kreeg hij in Parma in het houten Teatro Farnese.

VSB Theater aan de Schie: 12 september feestelijke opening van het theater met een dansvoorstelling door Scapino Rotterdam. Uitgevoerd wordt Kathleen van Ed Wubbe.

Het was in de zomer van 1992. In het fort-achtige Palazzo della Pilotta in Parma zocht architect Hans Ruijssenaars zijn weg naar de fameuze biblioteca Palatina. Zijn tocht werd onderbroken door een pijl die hem in hetzelfde gebouw naar Teatro Farnese verwees. Ruijssenaars: “Ik wist niet van het bestaan van een houten theater op de eerste etage van het paleis. Het is in 1619 razendsnel opgetrokken ter ere van het huwelijk van een telg van de in Parma heersende familie Farnese met een meisje De Medici. De strijdbare Farneses wilden met het theater indruk maken op de De Medici's. De openingsvoorstelling bestond uit een nagebootste zeeslag. Daarvoor hadden ze voor het toneel een loden bak gelegd en die met water gevuld. In de loop van de zeventiende eeuw is de zeeslag nog regelmatig in dit theater opgevoerd, voor het laatst in 1690. Al dat hout van zuilen, banken, vloeren, zoldering, panelen en coulissen heeft eeuwen geschiedenis ingeademd. Het theater werd in 1944 bij een bombardement vrijwel geheel verwoest, maar is in de jaren vijftig gereconstrueerd. Voor de historische beleving maakt dat niet uit. Het hout blijft oud en geschiedenis. Toen ik er was, stonden een paar luiken open waardoor het licht binnenviel. Die combinatie van prikkelende houtgeur en het licht was zó fantastisch, zo'n zintuiglijke ervaring dat ik het gelukkige slachtoffer was van een, hoe zeg je dat, coup de foudre. ”

De ontdekking van Teatro Farnese kwam voor Ruijssenaars op een beslissend moment. Een paar maanden voordat het Parmezaanse theater aan hem verscheen, had hij de opdracht gekregen voor de uitbreiding van het stadskantoor van Schiedam en daarbij hoorde ook een nieuw theater. Het oude gemeentehuis, een zestien verdiepingen hoge kolos, begin jaren zeventig ontworpen door E.H. en H.M. Kraayvanger, was verworden tot een afgekloven erfenis van de zakelijke architectuur uit die tijd. Sinds 1975 werd Schiedam bestuurd vanuit dit uitgebluste gebouw - raadsvergaderingen aan aaneengeschoven tafels in de kantine - dat op een kaal terrein stond, aan de ene kant begrensd door de laat negentiende eeuwse Liduina Basiliek en aan de andere kant door het massieve torenrestant van het dertiende eeuwse Huis te Riviere.

De ambitieuze opgave luidde: maak van de verkommerde omgeving een plek met stedelijke allure zodat, met alle gemeentelijke diensten bijeen, een nieuw, levend stadshart ontstaat. Het programma dat Ruijssenaars in zijn ontwerp moest onderbrengen, vroeg om nieuwe werkruimten en vergaderzalen, een openbare bibliotheek, het gemeentearchief en een stadswinkel. En om een theater.

Al deze voorzieningen, inclusief het onvermijdelijke grand café, zijn nu verzameld in een reusachtig complex waarin met gepast respect de oude kantoortoren van de gebroeders Kraayvanger is opgenomen.

Mediterraan

En zie, dit voormalig onaanzienlijk stukje van de historische jeneverstad kreeg een cultureel hoogwaardig, mediterraan gezicht. Geen lieflijk, zacht gezicht, maar een aristocratisch gelaat met strenge, klassieke regelmaat.

Het nieuwe, centrale plein dat Stadserf is genoemd en op het oog over de ideale maten beschikt - om precies te zijn 38 bij 110 meter - wordt aan de lange zijden geflankeerd door twee arcade-vleugels die nagenoeg dezelfde lengte hebben als het plein. De ruim honderd meter lange gebouwen zijn niet identiek omdat zij verschillende functies hebben. Ook de ontwerpers zijn niet dezelfde. Het complex met winkels en woningen tegenover het stadskantoor van Ruijssenaars werd getekend door zijn bureaugenoot van de Amsterdamse Architectengroep Kees Rijnboutt. De steenkleur van beide gezichtsbepalende gevelwanden ontlopen elkaar niet veel - tussen roodbruin en geel. Rijnboutt koos voor vierkante stenen kolommen, waar Ruijssenaars de voorkeur gaf aan de zo slank mogelijke, stalen kolommen die zo langzamerhand zijn handelsmerk zijn geworden. Ruijssenaars legde zijn meesterproef af in de kunst van de lichte kolommen-architectuur met het enorme, in 1992 voltooide stadhuis van Apeldoorn, dat in ruimtelijke organisatie en gevelopbouw aan het Schiedamse stadskantoor verwant is.

Het is een theatraal beeld zoals de norse, donkere Liduina Basiliek de twee eindeloze arcade-vleugels van elkaar gescheiden houdt: als een weerbarstige matrone onder een pinnige muts, omhoogrijzend precies in de as van het Stadserf. Let je niet op de overeenkomsten, maar op de verschillen, dan vertoont de creatie van Rijnboutt met de dikke raamomlijstingen de strenge cadans van blokkige arcadegebouwen in Noordspaanse steden. Het gemeentepaleis van Ruijssenaars vindt zijn ritmische weerklank eerder in Italië, zelfs bij de palazzi van Palladio.

Hij zal het zich vermoedelijk niet realiseren, maar het meest decadente detail dat Ruijssenaars zich in het nuchtere Schiedam heeft veroorloofd, het elegante snoer om de dakrand, verwijst regelrecht naar het schilderij 'Het Colosseum' uit 1896 van Sir Lawrence Alma-Tadema. Naast drie gracieuze jonge vrouwen is op dat schilderij te zien hoe de bovenrand van het Colosseum is afgezet met een palenkrans. Het zware arenagebouw waar zoveel gruwelijks is voorgevallen, krijgt er iets zachtmoedigs door. Ruijssenaars moet eenzelfde relativerende mildheid hebben beoogd. Bij het Colosseum was dit effect overigens onbedoeld. De kraag van houten palen diende voor de ophanging van het velum van zeildoek waarmee de arena kon worden overspannen om regen en zon te weren. Zo zal het elegante glazen snoer van de functionalist Ruijssenaars ook wel dienen om de altijd kwetsbare dakrand voor lekkage te behoeden.

Inspiratie

Invloeden in de architectuur gaan veelal langs de diffuse weg van inspiratie en associatie. Het zal niet vaak voorkomen dat een architect zo onomwonden op een idee wordt gebracht, als Hans Ruijssenaars overkwam bij het zien en vooral ook ruiken van Teatro Farnese. Zelfs de ingebouwde situatie van het nieuwe Theater aan de Schie is te vergelijken met de wijze waarop Teatro Farnese in het Palazzo della Pilotta inwendig verscholen ligt.

In het Schiedamse Stadskantoor bevindt de theater-entree zich in de centrale hal en dat is niet erg gelukkig. Deze ruimte moet teveel verschillende gemeentelijke diensten gelijktijdig toegang verschaffen en kan zich niet ook nog eens aandachtig over het theater ontfermen. Grote ego's verdragen geen gedeelde ontvangst. Niet dat het Theater aan de Schie onbescheiden of arrogant is, integendeel. Maar het is wel een persoonlijkheid die in deze vorm geen tweede kent. Het bovenlicht dat elk uur van de dag andere schakeringen in het blonde interieur teweegbrengt, het alomtegenwoordige hout en de bijbehorende geur maken de ruime foyer onweerstaanbaar.

Hoewel de architectuur van het Schiedamse theater in geen enkel opzicht lijkt op de inspiratiebron in Parma - Ruijssenaars noemt zijn ontwerp graag een 'eenvoudige houten schuur' - bestaat er toch een verwantschap die verder gaat dan de wijze waarop het licht binnenvalt en de overheersende houtgeur. Ruijssenaars: “De breedtemaat die ik helemaal in het begin voor het theater had bepaald was gebaseerd op een parkeerkelder van tweemaal zestien meter. De theaterdirecteur, Paul van Oort, stelde mij op een gegeven moment voor aan een Italiaan die de maten van Teatro Farnese op zak had. De dakspanten blijken tweeëndertig meter te zijn.”

De oppervlakte van de theaterfoyer was begroot op driehonderd vierkante meter, maar in werkelijkheid werd de plattegrond ruim drie keer zo groot, duizend vierkante meter. De kosten van de eenvoudige houten schuur bleken dermate mee te vallen dat een drastische vergroting kon worden gefinancierd. Daarmee overtreft de foyer het formaat van de eveneens geheel houten theaterzaal - ruim zevenhonderd plaatsen, met een balkon als een zwevende scheepsboeg. In deze lichte, rechthoekige ruimte met de kopse houten vloer zullen in de toekomst ongetwijfeld vele feesten gevierd worden. Nog een voorspelling, de omloop op de eerste verdieping zal bijzonder populair worden. Tussen de kolommen die het dak schragen zijn hier een soort loge-achtige openingen ontstaan waar de bezoekers met welbehagen naar beneden de foyer in kunnen blikken, mèt sigaret want alleen op de omloop mag worden gerookt.

Dat doet de vraag rijzen die voor de hand ligt als het gaat om een geheel houten theater. Stond de brandweer niet op zijn achterste benen? De architect: “Dat viel reuze mee. Je moet genoeg uitgangen maken, daar gaat het om. Het is eigenlijk vooral een verzekeringskwestie. De houtkeuze is wel mede door het brandgevaar bepaald. Daarom is in de zaal Amerikaans eiken toegepast, dat vat niet snel vlam en brandt niet krachtig dóór. Over de brandbaarheid van hout bestaan veel misverstanden. In de meeste gevallen brandt hout ongeveer twee centimeter in en dan onstaat een koollaagje waardoor het vuur wordt tegengehouden. Houten gebouwen storten daarom ook zelden in. Stalen gebouwen wel. In staal verplaatst de hitte zich met grote snelheid, dan wordt het slap en trekt de muren mee. Stalen gebouwen storten in. Houten gebouwen blijven altijd overeind.”