Oyuki drijft een sake-stalletje met stijl

Niet alle correspondenten verlaten dezer dagen hun standplaats voor groot verlof aan de Noordzee. De achterblijvers zoeken klein vertier. Als de laptop dichtgaat, lokt het zonbeschenen terras. Vandaag: Tokio.

TOKIO, 28 AUG. Wie bij Oyuki een glas in de zon wil drinken, moet wachten tot de zon opgaat. Dat is geen enkel probleem, want Oyuki schenkt drank tot een uur of zeven 's ochtends. Dan moet ze haar spullen pakken omdat het verkeer te druk wordt en haar handel midden op straat in de weg staat.

Er bestaan tegenwoordig terrassen in Tokio die doen denken aan Europa. Zo kan de verstokte Europeaan terecht bij Café de Flore, gevestigd in een van de chique buurten van de hoofdstad. Maar in de vochtige, hete Tokiose zomer is er eigenlijk geen lol aan om overdag buiten te zitten. Daarvoor dient de nacht, als de temperatuur zakt tot een aangename 25 graden en op straat allerlei eetstalletjes uit het niets verschijnen. Zoals de tent van Oyuki. De 64-jarige Oyuki laat trots een dertig jaar oude, vergeelde kleurenfoto zien. Een knappe jonge vrouw met een egaal rond gezicht als een traditionele schone van een oude ukiyo-e prent. In 1966 kwam ze vanuit de noordelijke bergen naar Tokio. Sindsdien runt ze achter het station Ebisu, in het centrum van Tokio, haar eetstal. Op een doordeweekse nacht is ze rond half twee nog bezig met het opzetten van haar zaak. “Ik ben laat vandaag. Ik heb helemaal geen zin.”

Rond een uur of twee laten drie opgeschoten jongens zich met veel lawaai op krukjes zakken. “Twee bier graag, moeder.” Ze reageert scherp: “Zeg maar Yukiko. Ik ben je moeder niet.” De stal mag een weinig verfijnde plek lijken - kakkerlakken lopen tussen de flessen sake - maar de etiquette is zeer verfijnd. 'Moeder' is een gebruikelijke, enigszins intieme aanspreekvorm voor een vrouw op leeftijd in de horeca, maar er is een scherp onderscheid tussen wat vaste klanten en een paar opgeschoten jongens tegen Oyuki kunnen zeggen. Later zet ze een van de jongens op z'n nummer als hij met volle mond tegen haar praat. En als ze zich later verbazen over de dubbele dooiers die steevast in Oyuki's gekookte eieren zitten, zegt ze: “Twee ballen, net als jullie.”

Ook onder de gasten wordt de etiquette in de gaten gehouden, hoe laat het ook wordt. Diep in de nacht bestelt een meisje een gefrituurde gehaktbal bij haar bier. Helaas blijkt ondergetekende de laatste twee te hebben besteld, die juist in een klein zwartgeblakerd pannetje in het frituurvet drijven. Ik zeg tegen Oyuki dat ze één van de ballen aan het meisje kan geven, hetgeen scherp in de gaten wordt gehouden door een vriend van het meisje. “Zeg dankjewel”, dirigeert hij het meisje als ze dit niet meteen uit zichzelf doet. Als een klein kind herhaalt ze keurig: “Dank u wel.”

Ooit stond de eetstal op een kaal stuk grond langs de spoordijk. Inmiddels is het station verbouwd tot een groot winkelcentrum en is voor haar stal slechts een stuk openbare weg overgebleven voor de ingang van de ondergrondse parkeergarage. “De gemeente en de politie willen me weg hebben”, zegt Oyuki. “Ze klagen over hygiëne en overlast maar ik ga niet weg. Ik moet toch ergens van leven.” Door het ontmoedigingsbeleid van de overheid is het aantal stalletjes sinds de oorlog sterk verminderd, maar sommigen laten zich niet intimideren.

Niet alle overgebleven stallen hebben een even goede naam als Oyuki. Legio zijn de verhalen over plaatsen waar opeens honderd gulden voor een biertje moet worden betaald. Ofwel plaatsen waar onderwereldfiguren de onderwereld bedienen en een nietsvermoedende burger beter weg kan blijven. Maar Oyuki is populair bij mensen van allerlei pluimage en niet iedereen is daar even blij mee. Niet ver van haar zaak zegt een barkeeper in een luxe aangeklede zaak: “Vroeger gingen alleen oudere mannen naar dergelijke eetstalletjes, maar tegenwoordig ook jongeren. Door de beroerde economie geven de mensen steeds minder geld uit. Iedereen is op zoek naar het goedkoopste.” En handige mensen spelen daarop in, want deze barkeeper heeft zelfs al een stal gesignaleerd waar Franse gerechten worden geserveerd, inspelend op de wensen van een jonger publiek.

Oyuki serveert alleen de traditionele gerechten, maar ook hier verschijnt steeds vaker een jong publiek. De gesprekken gaan al snel over de afkomst - “Ah, Cruijff!”, zegt een voetbalfan als het gesprek op Nederland komt - maar niet alleen een buitenlander heeft iets uit te leggen over zijn herkomst. Tokio is een grote verzameling van mensen die huis en haard hebben verlaten om anoniem in de grote stad een toekomst op te bouwen. Een jongen uit de stad Osaka moet aan een meisje uitleggen waarom “het kamertarief in love-hotels (waar een koppel met onbedwingbare lustgevoelens voor korte tijd een kamer kan huren) in Osaka bij 1 uur begint”. Elders in Japan begint de verhuur toch met 2 uur, zo meent ze te weten. Haar vriend moet toezien hoe de jongen uit Osaka vervolgens vraagt: “Hoe weet jij dat?” “We gingen een keer met de auto terug naar... ”

“En toen jullie langs Osaka reden, hadden jullie hoge nood”, vult de jongen aan.

“Zég!” Verontwaardigd, maar lachend geeft het meisje met de vlakke hand een paar tikken tegen zijn hoofd. Oyuki moet weer als strenge 'moeder' ingrijpen: “Een vrouw gedraagt zich niet zo!”

Zo passeren de windstreken de revue. Als naast de Hollander iemand uit Nagasaki blijkt te zitten, zingt Oyuki plots een lied over twee treurige geliefden in de regen op de 'Hollandse heuvel' in die stad, een naam die resteert uit vroeger eeuwen, toen Nagasaki een Nederlandse handelsvestiging herbergde. Tegen zessen maakt het zonlicht een einde aan alle benevelde herinneringen. Maar Oyuki zelf blijft alert: “Kom je de foto's laten zien als ze in de krant komen?”