Mijn Romeinse hospita's (3)

Ondertussen heb ik elke wijk van Rome wel gezien, dat wil zeggen elke wijk waar ze geen duizenden guldens voor een kamer vragen. Waar ik nu zit, Piazza delle Province, vlakbij de universiteit, bevalt het goed. Ik woon op de negende verdieping van een studentenflat, of liever een flat bewoond door gezinnen met studerende kinderen. Geen student hier is namelijk zo rijk of gek om voor z'n dertigste het huis te verlaten.

De Romeinse moeders zijn zoals ze altijd waren. 's Ochtends maken ze het bed op voor hun zoontjes, ze strijken zijn hemden, ze betalen zijn aftershave en eventueel zijn studie, en 's avonds koken ze pasta voor hem en zijn vriendjes, doen de afwas en klagen over het ondankbare leven dat ze leiden. Maar het is klagen zonder overtuiging, meer uit gewoonte.

Mijn hospita is vierenvijftig jaar, met een zoon van vierentwintig op wie ze zonder ophouden loopt te schelden: “Luie donder, egoïst, neuroot, slechte jongen...” En ze heeft gelijk, want hij doet absoluut niets. Hij scheldt terug 'stel je niet aan, mens', grijpt zijn leren jack en motorsleuteltjes en verdwijnt tot half drie 's nachts.

“Ach, wat moet ik met zo'n nietsnut”, zegt ze tegen mij, terwijl ze zijn lakens glad strijkt en zijn schoenen gepoetst in de kast zet. “Handenvol geld kost hij me, en wat krijg ik ervoor terug? Niets, niets, niets.” Verbitterd pakt ze maar weer eens het strijkijzer.

Ik kan haar niet beletten ook mijn bed op te maken en mijn kleren te strijken. Erger nog: ik kan haar niet beletten, hoe aardig en zielig ze ook is, mijn brieven open te maken - per ongeluk - en mijn spullen te gebruiken - even maar - alsof ik echt haar verlangde dochter was en niet een vreemd meisje dat een kamer huurt.

Aan de andere kant - ik kan er onmogelijk iets kwaads over zeggen. Af en toe stopt ze me een goedbedoeld cadeautje toe: een porseleinen eendje of een rieten mandje met kunstbloemen, waar haar hele huis van vloer tot plafond mee is volgestouwd.

Als tegensprestatie probeer ik soms de afwas te doen, maar ik weet dat ik niet in de wieg ben gelegd voor brave Italiaanse dochter. “Laat mij maar”, zegt ze dan zuchtend na twee borden, en ze gaat aan de slag, vlug vlug, sigaret tussen de lippen geklemd, gekleed in een gifgroene kamerjas boven roze pantoffels. Zelfs de haarkrulset ontbreekt hier niet.

Na de afwas zet ze koffie, ze nodigt me uit aan tafel, steekt een nieuwe sigaret op. “Vertel eens”, zegt ze, “ben je gelukkig?” Ze pakt een zak artisjokken en, zoals mijn oma thuis de spruitjes inkruist, schilt ze de vruchten en gooit ze mechanisch in de pan.

“Jij?” vraag ik terug. Ze schudt van nee. “Ach nee”, zegt ze, “ik ben te moe, te moe. Ga je trouwens nog uit vanavond?”

Ik haal mijn schouders op. “Neem wel een taxi”, zegt ze, “en ga niet met Italiaanse jongens mee. Mijn zoon kan je vertellen hoe slecht ze zijn, ellendelingen allemaal.”

Snuivend schilt ze de laatste artisjok en snijdt hem in stukken, alsof het haar ex-man is die niet ophoudt haar met alle mogelijke plagerijen te kwellen. “Geloof mij maar”, zegt ze, “die Italianen, daar kun je niet op vertrouwen.”