Koormeisjes op mannenjacht

Alan Warner: The Soprano's. Jonathan Cape, 323 blz. ƒ 41,75 (De Nederlandse vertaling verschijnt in februari bij de Arbeiderspers)

Maak je geen zorgen, zegt het koormeisje in de eerste regel van Alan Warners derde roman The Soprano's. We maken geen schijn van kans. Alle anderen zingen over de Liefde, al onze liederen gaan over vee en dood.

We zijn weer in Alan Warner-land, een naamloos, half lyrisch, half treurig havenstadje in de Schotse Hooglanden. In de haven ligt een onderzeeër. De meisjes van de nonnenschool, op weg naar een koorwedstrijd in De Grote Stad, hebben hun prioriteiten voor de dag duidelijk op een rijtje: op tijd terug zijn om die avond in de Mantrap geen hemd, geen draad, geen schoenveter van Hare Majesteits bemanning op zijn plaats te laten.

De jonge Schot Alan Warner, een van de meestbelovende Engelstalige schrijvers, is terug bij zijn favoriete onderwerp: meisjes. Zijn debuut, Morvern Callar (1996), werd verteld door de onsterfelijke Morvern, een 21-jarige vakkenvulster in de lokale Superstore. Het vervolg, These Demented Lands (1997), was een kaleidoscopische, wat apocalyptische vertelling van hetzelfde personage. Zo klein en persoonlijk als het debuut was, zo weids en obscuur is de tweede roman.

De derde zit er wat reikwijdte betreft tussenin: we volgen de vijf sopranen tijdens hun dag in de Grote Stad. De toon is minder intiem dan bij Morvern, maar een stuk persoonlijker dan in het wijdlopige These Demented Lands. Morvern komt nog heel even voorbij: in de Mantrap drinkt haar vriend, in wie ik Warner zelf denk te herkennen, op de hoek van de bar in stilte een pilsje. De Sopranen vormen de volgende generatie Mantrappers.

The Soprano's leunt sterk op de kluchtigheid van het gegeven: vijf jonge koormeisjes en hun aan doodsverachting grenzende honger naar het leven. Dat maakt het verhaal lichtvoetig en bij vlagen wat overdreven kolderiek.

Dat is geen bezwaar. Het is een weinig gedocumenteerd feit dat de hormoonbalans van meisjes in de puberteit een raket zou kunnen lanceren. Dat gebeurt veel vroeger dan bij jongens. Hun wellust leidt ze de klas uit, en de wereld, met al zijn gevaren, in: (Kylah, hakken, minirok, KORT, wankelt door de bar naar haar vriendin.) 'Hoe gaat het? Jezus Kylah, De Gescheiden Man links denkt dat hij fucking Billy Connolly is. Waarom zou je een rug neerleggen om in een theater met de tocht op je poes te zitten als je al die flauwe grappen van deze klootzak voor niets kunt horen. En dat klittebandpak? Die lul is te vaag voor woorden. Ze vragen of we mee gaan. Wat denk je?'

Warner weet ook vooral het indiscriminatoire karakter van de paringsdrang prima te treffen. De enige tempering is de zorg van de vriendinnen voor elkaar: 'Neem Danny daar mee dan, die ziet er redelijk normaal uit, ze zullen jullie niet in stukken zagen met hem erbij.' Het loopt natuurlijk allemaal volkomen uit de hand. Onschuld en naïviteit zijn samen met nietsontziende lust een volmaakt rampenrecept, en de taferelen in The Soprano's zijn volstrekt herkenbaar.

Warner laat de wereld van tienermeisjes zien zoals het meisjes zelf nog niet gelukt is. De mannen zijn, zoals ze dat in de ogen van jonge meiden zijn, allemaal slecht en dom. Veel boeiender zijn hun eigen vriendinnen met hun onoverwinnelijke meisjesheid. Hun explosieve hormonen delen meisjes, wat ze ook denken, uiteindelijk met elkaar.

Het opvallende is dat Warner ze dat zo volmondig gunt. Hun sex drive, hoe extreem ook, geeft ze de vleugels om de bekrompen, treurigmakende omgeving en toekomst in supermarkt of fabriek te ontstijgen. Al is het maar voor even.

Alan Warner-land is een deprimerend, maar brutaal en hemeltergend mooi Schots havenplaatsje - zijn oeuvre is, zegt hij zelf, een poging dat plaatsje uit zijn jeugd te vereeuwigen. Mij lijkt het altijd meer voortkomen uit de behoefte de brutale, beeldschone, maar uiterst breekbare meisjes uit die jeugd in leven te houden.