Het leuteren voorbij; Atte Jongstra snijdt in eigen vlees

Atte Jongstra: Disgenoten. Querido, 215 blz. ƒ 34,90

Literatuur begint, als alle kunst, bij onbehagen. Hoe verschillend schrijvers ook mogen zijn, bij allemaal is er in den beginne het gevoel dat onze werkelijkheid geen wereld is om in te willen wonen. Waarom anders zouden ze zich opsluiten in de spreekwoordelijke zolderkamer en daar uren, dagen, maanden, jaren, naar een beeldscherm staren? Daar is weerzin tegen het bestaan voor nodig, en veel daarvan.

Maar daar staat wel iets tegenover - anders zou zo'n opsluiting niet vol te houden zijn. Ze leven met de kennelijke overtuiging dat het zin heeft om in die zolderkamer weg te duiken. Ze geloven dat de wereld die zij op papier zetten inzicht in de boze werkelijkheid biedt, of uitzicht op een andere werkelijkheid die leuker is. Ze geloven, tegen duizend twijfels in desnoods, op de tegenkracht van de verbeelding.

Dat is een mooi geloof waar weinig tegen in te brengen valt, het levert zijn geloofsbewijzen al een wereldliteratuur lang. Maar als elk geloof heeft het een zelfvoldane kant.

Er zijn auteurs die zo genieten van die tegenkracht van de verbeelding dat ze er liefst helemaal in zouden opgaan om de werkelijkheid verder uit hun hoofd te kunnen bannen. Ze verheffen het middel tot een doel en schrijven boeken waarin de verbeelding zelf de glansrol mag vervullen - boeken die de harde feiten van de wereld omtoveren tot een verrukkelijke kleurenwaaier van de meest fantastische mogelijkheden. Boeken als vakantie van het leven eigenlijk, waarmee ze zich in één beweging ontdoen van die vraag der vragen van de literatuur: Hoe Te Leven? Want hoe te leven? Vertel! Verzin! Verlos jezelf door de verbeelding! Doe als ik! Hun werk wordt een advertisement for itself, een gesloten circuit van tevredenheid waar elke spanning uit verdwijnt.

Bibliotheek

Een beetje gechargeerd was dat totnogtoe altijd mijn bezwaar tegen het werk van Atte Jongstra, hoe vermakelijk het tegelijk ook is. Hij drijft de vlucht in de verbeelding zo ver door dat het uitzinnig wordt en excentriek, een soort literatuur in het kwadraat. De wereld van zijn personages lijkt nog het meest op een bibliotheek. Ze laten zich geen kans ontnemen om een boektitel te noemen, liefst een lexicon uit oude eeuwen, herontdekt door een miskende filoloog uit god weet waar, en ze filosoferen daar op door. En eenmaal aan het woord, leert de ervaring, staan zij het niet meer af. Ze redeneren over groente, ook al weet je niet waarom, of over een antieke visie op de kunst van het vissen. Ze oreren net zo lang tot de verhalen als muren om hen heen staan, een complete wereld naar hun eigen snit, en je kunt denken: dit is geluk. Want dit is almacht.

Maar je denkt als lezer toch vooral iets anders. Deze heren praten tegen anderen, maar net zo lief tegen zichzelf, en wat ze zeggen mondt maar zelden uit in een conclusie of een samenhang. Ze praten zoals mensen fluiten in het donker, het gaat meer om geluid dan om de muziek. Het is een vorm van retoriek,met andere woorden, en ze zijn daar openlijk genoeg in om soms ook de fijne kneepjes van hun eigen spraakkunst weer in een betoog te vlechten, al dan niet geïnspireerd door een klassiek Latijnse handleiding in de retorica. Maar dat soort zelfbewuste wendingen kan niet verhelpen dat er zich in alle geestigheden op den duur een kale galm van leegte aandient. Woorden, woorden, taal om de taal. Alsof je in een literaire variant terechtkomt van een wereld na de neutronenbom: de mensen zijn verdwenen, alleen de woorden staan nog overeind.

Ik was dan ook wat huiverig voor Jongstra's nieuwe roman, de eerste in vijf jaar. Maar de verrassing is compleet: in Disgenoten waait de wind ineens uit een compleet andere hoek. De held van de geschiedenis is als vanouds een woordenrijke man, een redenaar dit keer zelfs. Voor zijn brood spreekt hij op feesten en begrafenissen en alles daartussenin. Het onderwerp maakt hem niet uit, het gaat hem om het effect, het afdwingen van aandacht, ook al is de tekst Swahili en nog saai ook. Maar anders dan anders krijgt hij dit keer tegengas. Zijn impresario vraagt of het niet wat minder 'humoristisch' kan, wat meer vanuit 'persoonlijke ervaring', meer 'als mens', en zijn vrouw heeft haar geduld met zijn taalgymnastiek al helemaal verloren. ('Woorden, woorden. Vogels in de lucht, mijn hand blijft mooi leeg.') Hij heeft niet meer Jongstra's onverkorte steun, hij is een holle zwetser met een bord voor zijn kop.

Wat Disgenoten vervolgens verhaalt, is zijn ontdekking en verwerking van dat inzicht. Hij wordt door zijn impresario naar een symposium gestuurd, waarvan de opzet schemerig blijft. Bij zijn aankomst is er nog geen mens, de gasten druppelen een voor een binnen maar weten ook niet wat er van ze wordt verwacht.Pas op de vierde dag volgt tekst en uitleg. Dat wij leven in een tijd van snel veranderende verhoudingen, in Europees verband, en dat wij bij dat alles niet meer weten wie de mens is. Dat Europa één monetair gezicht krijgt en dat het zaak is daar ook een humaan gezicht bij te ontwikkelen 'opdat de nieuwe mens van het nieuwe Europa een nieuw humanisme ontdekt.' En of ze daar maar over willen praten.

Jongstra zet de malligheid van de bijeenkomst stevig aan, maar het is duidelijk dat hij er ook iets serieus mee voor heeft. Bij de opening van het symposium zet hij de gasten aan tafel, twaalf aan de ene kant en de dertiende aan de andere, alsof het om het Laatste Avondmaal gaat. Er wordt veel verwezen naar de Lijdenstijd, de Kruisiging en de woorden Lama, lama sabachtani, en er is een baksteen die spontaan uit de lucht komt vallen als was hij de Heilige Geest. Dat geeft wel aan wat Jongstra najaagt, onder alle joligheid: een geest die inhoud geeft aan lege vorm. Die van zijn held en maar meteen die van zijn tijd.

Nu is Jongstra bij mijn weten niet gelovig, van die zijde valt geen bijstand te verwachten, maar hij heeft een wapen achter de hand. Als tegenhanger van de doodgeprate beschaving kent hij in zijn werk een majesteitelijke rol toe aan de natuur. Vooral het Hoge Noorden, met zijn zingende bossen en mossige rotsen,is bij hem het toonbeeld van een wereld die de leuterende mensheid eindelijk met stomheid weet te slaan. Het is er stil en onherbergzaam, en vooral: het is er mysterieus. Zijn helden zijn er om die reden graag, ze voelen er 'verrukking', wortelend in angst, en het spreekt dus haast vanzelf dat ook het symposium van Disgenoten daar gehouden wordt. De gasten zitten bij een boom die op een kruisbeeld lijkt, omringd door een absis van struikgewas, en krijgen het verzoek het 'boek' van het landschap te openen, opdat de geest ervan tot hen kome.

De gevolgen zijn verbijsterend. Waar Jongstra's eerdere helden zelfs in hun verrukking over een landschap nog gepaste afstand hielden om de grip op hun bestaan niet te verliezen, daar gaat het gezelschap hier volledig door het lint. Wat er precies gebeurt laat zich maar moeilijk navertellen, maar er wordt gezopen en gescholden, geruzied en geneukt, er zijn deliria en visioenen,en een kanarie legt door mensenhand het loodje. In een ommezien is elk decorum zoek, ook bij de held van het verhaal. Hij ontvlamt voor een IJslandse en raakt ten prooi aan dwangherinneringen en zelfs waanvoorstellingen. Van een beheerste redenaar verandert hij in een bang hoopje mens. De werkelijkheid die hij totnogtoe zo zorgvuldig heeft gemeden dringt zich op en als hij aan het eind van de roman weer bij zijn positieven komt is het ondenkbare gebeurd. Hij ziet dat hij zijn leven moet veranderen.

Clou

Voor een roman van Jongstra is dat een opmerkelijk conventionele clou, op het clichématige af. Maar die indruk is bedrieglijk. Voor het eerst in zijn werk gaat hij hier juist met de billen bloot. Wie Jongstra wel eens in het openbaar heeft horen spreken, vindt in zijn romanheld moeiteloos een ongenadig zelfportret. Hij snijdt in eigen vlees, met andere woorden, en hij heeft daarbij de durf het boek zo op te bouwen dat je het kunt toetsen aan zijn eigen ambities. Als het waar is dat zijn held een werkelijkheid en een geest terugvindt die inhoud aan zijn retoriek kunnen geven, dan moet dat aan het ver-haal zijn af te lezen, want hij is er niet alleen de hoofdfiguur van maar ook de verteller - in de verleden tijd, in terugblik dus, als alles voorbij is en zijn leven inderdaad veranderd zou moeten zijn. Zijn taal, kortom, moet de bewijslast bieden voor het welslagen van deze hele onderneming, en de vraag dringt zich dus al vanzelf op. Is de geest hier daadwerkelijk vaardig geworden?

En dan merk je iets geks. De man is als verteller nog net zo retorisch als hij altijd was. Zijn zinnen zijn vergeven van tournures als 'Ik wil niet nalaten te vermelden dat...' en 'Zodat ik kan afronden met...' En als hij zinnen halverwege laat verwateren in puntjepuntjes, ten teken dat de overweldigende werkelijkheid zijn taal met onmacht slaat, wil hij ook weer niet nalaten te vermelden dat zoiets in de retorica een aposiopesis heet en na de puntjes de suggestie opent van 'een wereld aan vervoegingen, buigingen, meerduiigheid, het hele domein van grammaticale scheefgroei, de volle rijkdom van klankuitwassen die zoveel uiteenlopends tegelijk te kennen geven, dampend van semantiek, stomend, puur ambigue, puur opaak...' Het is een stijl die precies de andere kant op wil dan het verhaal - weer terug naar de taal om de taal, weg van de werkelijkheid.

Het eigenaardige, en op de valreep toch wat teleurstellende, van Disgenoten is daardoor dat het in toon net weer die afstand schept die het nu juist teniet wou doen. Het is een toon die wel laat zien maar niet laat voelen, wel laat toekijken maar niet laat ondergaan, alsof de schrijver teruggedeinsd is voor de consequenties van zijn eigen inzet. Hij vertelt van iemand die bedrogen wordt in zijn vertrouwen in de taal en de verbeelding en daar haast aan onderdoor gaat, iemand die saillant genoeg nog aan hemzelf doet denken ook. Maar halverwege schrikt hij van de werkelijkheid die hij oproept en wil terug, terug naar de wereld waar een redenaar almachtig was. Tenminste, leek. Hij wil terug en vergeet dat juist die wereld hem bedroog.

Het onderwerp van mijn toespraken is mij om het even. Over de platvis, handschoenen of postbestellers, het mag een actietoespraak betreffen, een encyclopedisch verhaal over seriemoorden of iets als gezelligheid. Ik heb eens een vertoog van een Oost-Duitse collega voorgedragen, in het Engels. Nog slecht vertaald ook. Het liep als een Trabant en had het gewicht van een Wolga of hoe die gietijzeren regeringslimousines daarginds ook mogen heten. Onderwerp? Geen idee. Ik maakte een eigen ritme, verfijnde de frasering, schaafde aan het tempo. Ik bracht muziek in dat tweetakt-stuk, zong me helemaal los van de inhoud zo te zeggen. Ovationeel applaus. Uit Atte Jongstra: Disgenoten