Het hunkerende wijwatervat

Dit is de eerste aflevering van een tweewekelijkse poëzierubriek van Guus Middag

Wat is de beste omstandigheid om door een gedicht getroffen te worden? Als je er niet op uit bent. Bij de post zat een ansichtkaart, dat wil zeggen: een briefkaart waarop bij wijze van ansicht de tekst van een gedicht was afgedrukt. Mijn hoofd was nog half bij de giroafschriften en het reclamedrukwerk, en voor de andere helft al bij die nog ongeopende brief in onbekend handschrift, toen ik de ansicht las. Uit niets bleek dat de afzender dit gedicht met speciale bedoelingen had uitgekozen, maar ik las het toch maar even - en het trof mij meteen. Het heette 'Hoge brandnetels', het was van de Engelse dichter Edward Thomas (1878-1917) en het werd vertaald door J. Eijkelboom:

Brandnetels overdekken, zoals ze al zo menig voorjaar deden, de roestige eg, de lang versleten ploeg en de van steen gemaakte wals; alleen de tronk van de olm is hoger dan de netels. Ik hou het meest van deze hoek van het erf: zo goed als de gloed op een bloem wil ik het stof op de netels prijzen, nooit weg behalve om het frisse van een buitje te bewijzen.

Zoals wel vaker bij treffende gedichten ziet het er op het eerste gezicht weinig bijzonder uit. Het heet 'Hoge brandnetels' en daar gaat het ook over: over de hoge brandnetels die ergens aan de rand van een boerenerf een paar oude landbouwwerktuigen overdekken. Een roestige eg, een lang versleten ploeg, een stenen wals. Zo te zien liggen ze er al heel lang ongebruikt te wezen. En zo te zien worden ze ieder voorjaar weer overwoekerd door de brandnetels. Dat is een eerste aardige bijkomende gedachte: pas wanneer ze aan het zicht onttrokken raken, worden ze opgemerkt.

Het gaat om een landelijk tafereel, vermoedelijk ergens in een uithoek van Hampshire gezien, met liefde en oog voor het detail beschreven. Je zou er nostalgie in kunnen lezen, maar dat lijkt mij een te modieuze term voor een gedicht uit 1915 of 1916. Er spreekt aandacht voor de dingen uit - ook al zo'n modieuze term. Een pleidooi voor het onaanzienlijke. Deze veronachtzaamde hoek van het erf is de plek waar de dichter het meest van houdt, zo zegt hij in de tweede strofe. En om die voorkeur voor het onooglijke nog eens te bevestigen, wil hij in dit voorjaar nu eens niet de lof van de al zo vaak bezongen bloemen zingen, maar die van de altijd zo verguisde brandnetels. En daarvan nu eens niet de 'gloed' ('bloom'), maar het stof ('dust'), het stof dat er blijkbaar altijd ('nooit weg') is.

Tot zover vind ik het een mooi, maar ook wel wat eenzijdig gedicht. Verloren uithoek, oud gereedschap, onkruid, stof - het is een wat weemoedig stemmend en stoffig programma voor een lentevers. De frappe zit in de slotregel, als opeens blijkt dat het stof over een eigen wil beschikt en af en toe een stap opzij doet 'om het frisse van een buitje te bewijzen'. Het is een verrassende wending, die aan het wat ingeslapen tafereel onverwacht een grote levendigheid verleent en het voorafgaande in een ander daglicht stelt. De stof blijkt bezield - en als we daar nog niet in willen geloven, omdat het hier alleen maar om een kwestie van formuleren zou gaan, dan blijkt hier toch in ieder geval dat het gedicht ineens bezield is. Door die verrassende formulering, en door het kloeke rijm prijzen - bewijzen, duikt er ineens een denkende instantie op, met gevoel voor humor: een dichter die besloot na zeven beschrijvende en passieve regels vol halfrijmen de boel even letterlijk op te frissen met een vondst.

De regen spoelt het stof niet weg, zoals wij geneigd zijn te denken - het is het stof dat af en toe zo vriendelijk is zich terug te trekken om zo een buitje de kans te geven zijn frisheid te bewijzen. Omgekeerde psychologie is dit, omdraaiing van oorzaak en gevolg, met een verrassingseffect: het effect van een fris voorjaarsbuitje, alsof de wereld er daarna weer even schoongewassen uitziet. Mooie momenten vind ik dat. Dit is er ook een, gelezen bij Rimbaud: de gelovige dames die bij het verlaten van de kerk niet routineus hun hand dopen in de wijwaterbak, maar 'hun vingers laten kussen door 't wijwatervat', alsof dat vat iets van ze moet.

Zulke omkeringen lijken me niet voorbehouden aan dichters, maar je treft ze in poëzie geloof ik wel vaker dan gemiddeld aan. Zijn dit nu alleen maar gevallen van mooi gezegd, typisch dichterlijk, beetje gek, leuk gevonden? De frappe is wel zo sterk dat ik me verbeeld dat er in deze omgekeerde manier van kijken ook ergens een kern van waarheid moet zitten. En dan bedoel ik niet de eventuele vriendelijke inborst van stofdeeltjes op brandnetelbladeren of de hunkering van wijwatervaten, maar de troostrijke suggestie dat onze aangeleerde waarneming het misschien wel vaker verkeerd ziet dan we denken.

Sommige anti-depressiva blijken bij sommige patiënten te 'werken'. De neiging is groot om daaruit te concluderen dat de patiënt 'dus' depressief was wegens een tekort aan zekere stoffen in zijn hoofd. Rutger Kopland sprak erover, onlangs, in een radio-interview, in zijn functie van psychiater, en hij vroeg zich af of die conclusie wel terecht was. Kopland: na een met succes gebluste brand zeg je toch ook niet dat de brand is uitgebroken wegens een tekort aan water.