Financiële orkaan is de straf voor roekeloze economieën

Er gaat een golf van economische krimp door de wereld. Hieraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag, maar overal speelt het geliberaliseerde kapitaalverkeer een belangrijke rol. Volgens Roel Janssen wordt nu de rekening gepresenteerd van bandeloos financieel gedrag.

De financiële orkaan die over de wereld raast, laat een spoor van vernielingen na. Opkomende landen gaan ten onder in muntcrises en stagnatie, industrielanden vrezen de gevolgen van besmetting. In de Verenigde Staten dringt het besef door dat aan het 'goudgerande tijdperk' van langdurige groei en lage inflatie wel eens abrupt een einde kan komen, terwijl in Europa het economische optimisme aan de vooravond van de euro in ijltempo wegebt.

Sinds het begin van de jaren zeventig, toen de dollar instortte en de olieprijzen explodeerden, heeft zich niet meer zo'n opeenstapeling van financieel-economische crises voorgedaan. Toen maakten de Sovjet Unie, China en hun vazallen geen deel uit van het internationale economische stelsel. Nu staan de Russische roebel en de Chinese yuan in het centrum van de aandacht en tekent zich het omgekeerde patroon af. De dollar blijft overeind terwijl links en rechts munten instorten; de prijzen van olie en andere grondstoffen zijn terug naar af.

Er gaat een golf van economische krimp door de wereld. Landen bezwijken onder de dubbele last van te hoog opgelopen schulden en overcapaciteit. In feite worden de schulden en de overproductie op een koude manier weggesaneerd.

Het arme volk is altijd het grootste slachtoffer van een crisis. De ineenstorting van de munt, zoals deze week in Rusland en eerder dit jaar in Indonesië, brengt de economische activiteiten met een ruwe schok tot stilstand. Inkrimping van economieën met zeven (Maleisië, Zuid-Korea) tot twintig procent (Indonesië) betekent een dramatische verslechtering van de levensstandaard. In dollars gemeten is het inkomen per hoofd van de bevolking in deze landen meer dan gehalveerd.

Financiële crises doen zich voor in soorten en maten. De eerste soort heeft te maken met de onhoudbaarheid van begrotingstekorten en/of tekorten op de betalingsbalans die niet langer gefinancierd kunnen worden met (buitenlandse) leningen. Begin jaren tachtig bezweken de Latijns-Amerikaanse landen onder hun buitenlandse bankschulden waarmee ze hun tekorten hadden gefinancierd. Het duurde een jaar of tien voordat deze 'schuldencrisis' was verwerkt.

Een tweede soort crisis doet zich voor in landen met een overgewaardeerde munt waarvan de koers niet langer houdbaar is. Als een centrale bank er niet in slaagt met renteverhogingen en met het opkopen van de eigen munt de koers op peil te houden, is een devaluatie onvermijdelijk. Maar ondertussen zijn de deviezenreserves uitgeput en heeft de bedrijvigheid te lijden onder de verstikkende gevolgen van een extreem hoge rentestand.

De derde soort crisis vindt zijn oorsprong in de ondeugdelijkheid van de financiële sector in een land. Afwezigheid van behoorlijk toezicht schept de mogelijkheid voor het bankwezen om geld uit te lenen voor dubieuze projecten zonder zich van kredietrisico's iets aan te trekken. Maar als investeringen niets opbrengen, krijgen banken te maken met een last aan niet invorderbare leningen. Als zich vervolgens een run voordoet van rekeninghouders die harde valuta willen of hun geld van de bank willen halen, is de bankpaniek een feit.

Op het ogenblik doen zich alle drie vormen van financiële crises tegelijkertijd voor. Daar komt de soms volstrekt chaotische politieke situatie in een aantal landen nog bij. Dit alles maakt de afzonderlijke problemen zo lastig te beheersen en vergroot het gevaar van besmetting.

In wezen gaat het steeds om landen die economisch boven hun stand leven. Ze hebben zich gelaafd aan de hoorn van overvloedig beschikbaar kapitaal. Dat is vergemakkelijkt door de liberalisatie van het kapitaalverkeer in het begin van de jaren negentig. Maar na de jaren van financieel feest is de onvermijdelijke kater van de afrekening gevolgd.

De situatie verschilt van land tot land. Japan, bijvoorbeeld, kampt al sinds 1991 met de gevolgen van de luchtbeleconomie die de prijzen van huizen, aandelen en grond tot astronomische hoogtes liet stijgen. Doordat de politieke klasse de sanering steeds voor zich heeft uitgeschoven, is de Japanse financiële sector nu opgezadeld met 1.000 miljard dollar aan 'slechte leningen' die moeten worden afgeschreven. Zolang hiervoor geen oplossing is gevonden, zijn Japanse banken niet bereid tot nieuwe kredietverlening voor bedrijfsinvesteringen en lenen Japanse burgers geen geld voor consumptieve uitgaven.

Terwijl in Japan sprake is van een crisis van chronische onderbestedingen, hebben Zuidoost-Azië en Zuid-Korea te maken met de gevolgen van een investeringsboom die midden jaren negentig plaatsvond dankzij de toestroom van internationaal kapitaal. Veel van dit geld werd via politieke kanalen of vriendjespolitiek gestoken in grootschalige industrialisatieprogramma's of in twijfelachtige onroerend goed-projecten. Vanwege de corruptie waarmee dit gepaard ging, heeft dit inmiddels de term crony capitalism gekregen.

In Rusland is het wéér een ander verhaal. Daar is het een kwestie van ontspoorde hervormingen. De Russische staat is de gevangene van een oligarchie die zich de voormalige Sovjet-conglomeraten in de energie- en grondstoffensector heeft toegeëigend en die de financiële sector beheerst. Deze oligarchie weigert belastingen te betalen en berooft de overheid daarmee van de inkomsten die nodig zijn om uitgaven te doen. De gevolgen zijn enerzijds achterstallige salarisbetalingen en anderzijds overheidstekorten die gedekt worden met de uitgifte van kortlopende staatsleningen. Deze week heeft de regering deze leningen per decreet waardeloos verklaard.

De andere manier om tekorten te financieren is om geld bij te drukken. Dit staat nu te gebeuren en aangezien de Russen heel goed weten dat dit zal leiden tot (hyper)inflatie, probeert iedereen zijn geld om te wisselen in harde valuta of om roebels zo snel mogelijk om te zetten in goederen. Met als gevolg: de ineenstorting van de roebel. Het betekent het einde van het experiment om met Westerse financiële steun de Sovjet-commando-economie om te vormen tot een levensvatbare markteconomie.

De effectenbeurzen reageren inmiddels wereldwijd. Maar de financiële markten vormen niet het enige transmissiemechanisme. De overproductie en vraaguitval van de landen die een recessie doormaken, treffen de producenten van goederen en diensten elders. Daarbovenop dalen de grondstoffenprijzen waardoor landen die afhankelijk zijn van de inkomsten uit grondstoffenexporten, in moeilijkheden raken. Alles bij elkaar leidt dit tot dalende prijzen, met het reële gevaar dat de wereldeconomie in een spiraal van deflatie terecht komt.

De afzonderlijke verklaringen die voor de hardnekkigheid van de crisis zijn gegeven, zijn geen van allen bevredigend. Crony capitalism vormt een verstoring van een goed werkende markteconomie, maar het bestond in Zuidoost-Azië ook al vòòr 1997, toen deze landen nog als Aziatische tijgers werden bejubeld. Maar dat het louter om uitgelokte financiële paniek zou gaan, is na een jaar van mislukte pogingen om de rust te herstellen evenmin geloofwaardig. Er is structureel meer aan de hand dan het negatieve effect van een speculatieve aanval op kwetsbare munten.

Wel speelt het geliberaliseerde kapitaalverkeer een cruciale rol. Daarom gaan er steeds meer stemmen op om de grenzeloze beweeglijkheid van het kortlopende flitskapitaal aan banden te leggen. In landen die een zwakke financiële sector hebben en behoorlijk banktoezicht ontberen, kan dat excessen voorkomen.

Want wat zich de afgelopen jaren heeft afgespeeld, en waarvan de wereld nu de rekening gepresenteerd krijgt, is dat landen zich in economisch opzicht gedragen als een snelle sportauto zonder stuur en zonder remmen op een racebaan vol levensgevaarlijke bochten.