Een lintworm vertelt

Irvine Welsh: Filth. Jonathan Cape, 416 blz. ƒ 39,80 (pbk). (Verschijnt bij De Arbeiderspers in november onder de titel 'Smeris')

Subtiel kun je Irvine Welsh niet echt noemen. Op het omslag van Filth, zijn nieuwe roman, staat een varkenskop met een politiepet. Welsh had niet beter (of botter) duidelijk kunnen maken hoe hij over politie-agenten denkt: 'pigs' is immers de meest gebruikte scheldnaam voor hen in het Engels.

Sergeant Detective Bruce Robertson, de hoofdpersoon van Filth, doet sterk denken aan de door en door slechte politieman die Harvey Keitel speelde in de film Bad Lieutenant. Robertson is een klootzak van de eerste orde - geniepig, volkomen onbetrouwbaar, wreed, extreem racistisch en seksistisch, genadeloos. 'Same rules apply' is zijn motto; dezelfde regels zijn op iedereen van toepassing, dat wil zeggen: hij behandelt iedereen even schofterig: vriend of vijand, collega of crimineel, echtgenote of hoer. De intens razende woede in hem is tegen de hele mensheid gericht.

Het boek begint met een moord op een zwarte man in Edinburgh, een zaak waar Robertson mee wordt belast. Dat kan hij er net niet bij hebben: zijn vrouw is net bij hem weg, zijn huis is een puinhoop en hij heeft een nare uitslag aan zijn achterwerk. Bovendien heeft hij het veel te druk met elke vrouw die hij ontmoet in bed te krijgen (of daarover te fantaseren), met coke snuiven, met pornovideo's bekijken en met stevig drinken.

Wat volgt is het verslag van een neerwaartse spiraal, verteld door Robertson zelf, met een mengeling van onbeschaamdheid, intelligentie, botheid en humor die vanaf de eerste woorden boeit en amuseert - en weerzin opwekt. Want Filth maakt de titel waar: het is echt smerig. Van de door een eczeem veroorzaakte korstjes die van Robertsons geslachtsdelen vallen terwijl hij een meisje tot orale seks chanteert, tot de wormen in zijn darmen: geen vies detail blijft de lezer bespaard.

Welsh schrijft in Filth over de slechtheid van de mens - of liever gezegd van de man, want de vrouwen in het boek zijn de meest sympathieke personages. Eerder, in zijn sensationele debuut Trainspotting (1993), voerde Welsh al een man op die het kwaad belichaamde: de psychopaat Begbie. Was het in dat boek een baby die onschuld en het goede symboliseerde, dit keer is het Robertsons dochtertje Stacey. Het is haar aanwezigheid die de tragische laatste scène zo aangrijpend maakt.

Tegen het einde hebben we Robertsons voorgeschiedenis gelezen, en is het duidelijk dat Welsh een ouderwets sociaal-deterministische opvatting uitdraagt: de mens wordt niet slecht geboren, maar slecht gemaakt door zijn omgeving.

Hij heeft een originele vorm gevonden om Robertsons persoonlijke achtergrond uit de doeken te doen: het wordt verteld door de lintworm die Robertson teistert. Hij vreet zich een weg in het verhaal: een dikke sliert woorden die zo nu en dan in het midden van de pagina opduikt en Robertsons eigen woorden onleesbaar maakt - iets dat ik niet eerder in een roman gezien heb. Welsh komt er mee weg, al doet het een beetje geforceerd aan. Het stuk waarin Robertsons levensverhaal wordt verteld is het enige minder overtuigende deel van het boek, dat verder briljant geschreven is: slim, grappig en geen moment saai.

Bovendien lukt het Welsh om de lezer mededogen te laten voelen voor een schijnbaar gewetenloze man, de verdorvenheid zelve. Dat is knap, en het maakt Filth veel meer dan het onsmakelijke, provocerende boek dat het aan de oppervlakte lijkt. Het zal Welsh' imago als kwajongen van de Britse literatuur versterken, maar het is eveneens zijn meest volwassen roman totnutoe, en het beste bewijs sinds Trainspotting dat hij tot de top van de eigentijdse Engelse literatuur behoort.