Een jongen die niet goed is, en niet slecht; Ontroerend epos van Martin Walser

Martin Walser: Ein springender Brunnen. Suhrkamp, 413 blz. ƒ 57,50

Martin Walser schrijft: 'Het leven was iets verbodens.' Martin Walser schrijft dat in een boek waarin de wereld wordt bekeken door de ogen van een kind. Het kind Johann in Ein springender Brunnen leert vooral wat níet mag. Opvallen mag niet. Uit de pas lopen mag niet. Onbeleefd zijn tegen degenen van wie ja afhankelijk bent mag helemaal niet. Johann wil een goed kind zijn. Dus zegt hij niet wat hij denkt; hij zegt alleen dingen waar een beloning op staat. Elk kind heeft beloningen nodig, al was het maar zo nu en dan een aai over z'n bol: dat vinden we doodgewoon. En toch wringt er iets in Ein springender Brunnen. De tijd, het is de tijd die wringt.

Als Johann zes is grijpt Adolf Hitler in Duitsland de macht en de slimsten in Johanns omgeving hebben zich dan allang tot het nationaal-socialisme bekeerd. Johanns moeder bijvoorbeeld. Zij runde een kolenhandel annex herberg, ging daarmee in de crisisjaren haast failliet en wist het bedrijf op het nippertje te redden door de herberg beschikbaar te stellen voor bijeenkomsten van de nieuwe politieke partij. De vader van Johanns beste vriend leidt die bijeenkomsten; de beste vriend heet Adolf en in een huiveringwekkende hond-parabel maakt Martin Walser duidelijk dat er voor jonge Duitsers geen andere keuze bestaat dan slikken of stikken.

Hond Treff is ongehoorzaam geweest en zijn baas wijst hem plechtig terecht: 'Lieve Treff, je bent een mooi dier, een trotse vertegenwoordiger van je ras, soepel, stevig, je haar glanst, je ogen fonkelen, je passie voor de jacht laat niets te wensen over. Maar aan wie zo rijk getalenteerd is worden eisen gesteld. Als jij nog één keer uitbreekt krijg jij van mij de kogel. Als jij niet leert je te beheersen krijg jij van mij de kogel. [-] Is dat jouw noodlot? Treff, je was vaak geweldig, ik ben trots op jou. Maar je temperament is zowel je sterke kant als je zwakte. Of wij zijn voor eeuwig met elkaar verbonden, óf jij krijgt de kogel: aan jou de keuze, Treff.' Meneer Brugger registreert met welgevallen hoe de snuit van de hond langs zijn dij wrijft. Dan blaft hij tegen zoon Adolf en Johann: 'Onthou dat, jullie twee. Dit verhaal geldt voor ons allemaal.' Walsers jeugd moet op die van Johann hebben geleken. Johann Martin Walser kwam in 1927 in Wasserburg ter wereld; zijn ouders hadden in dat aan het Bodenmeer gelegen dorp een herberg en een kolenhandel. Geldzorgen hadden ze ook, en last van de concurrentie, en niet in de laatste plaats had het echtpaar last van elkaar. De vader zwak en ziek, een dromer, een fantast, bestemd voor een vroege dood; de moeder een zwartgallig realiste. Samen met meneer pastoor en een felle nazi-onderwijzer voedde zij haar jongen op tot gehoorzaamheid en eeuwige angst.

En net als Johann zoekt Walser al vroeg zijn betere ik in de literatuur. Lezen eerst, dan schrijven. Zonder remmingen of nare verboden, zonder zwijgplicht of valse fatsoensrakkerij. 'Schrijver', zei Martin Walser eens, 'word je misschien ook omdat je eronder lijdt dat je bijna niets van jezelf mag laten zien.' Walsers autobiografische boek Ein springender Brunnen is een anti-Bildungsroman en een Bildungsroman in één: tegen de verdrukking in ontwikkelt Johann een identiteit. Hij is achttien wanneer hij zeker weet dat hij schrijver wil worden, maar zijn oppositie tegen het beklemmende wij-denken van de Wasserburgers begint al veel eerder.

Wijde wereld

De eerste die Johann als een individu beschouwt is een rondtrekkend fotograaf. Hij zet Johann alléén op de foto, los van dorp en familie. Johann met zijn fietsje voor een stel exotische bomen: een stap op weg naar de wijde wereld en naar de zelfstandigheid die hij zo sluw moet verbergen.

Koningszoon. Zo noemt Johann zichzelf nadat de foto's in zijn bezit zijn gekomen. Een koningszoon laat zich de wet niet voorschrijven. Een koningszoon doet waar hij zin in heeft. Alleen mogen de anderen niet weten dat hij een koningszoon is. Voor hen is Johann een verliezer. Zijn statige eerste-communie-kaars breekt bij een gevecht met een rivaal. Zijn kostbare gezangboek valt in de modder. En het meisje voor wie hij zijn leven op het spel zet ziet hem niet staan.

Martin Walser schreef altijd al over verliezers. De vernederde privé-chauffeur Xaver Zürn in Seelenarbeit, de gedegradeerde ambtenaar Stefan Fink in Finks Krieg, het verkreukelde moederszoontje Alfred Dorn in Die Verteidigung der Kindheit: stuk voor stuk zijn het mannen met wie het, door de succesbril bezien, niet al te best afloopt. Maar Johann zal eens beroemd worden en het boek eindigt met een besluit: 'Hij moest het doen. Zich domweg toevertrouwen aan de taal.'

De titel van Walsers nieuwe roman is een eerbetoon aan Also sprach Zarathustra van Nietzsche. 'Als hij [Johann] las: Nacht ist es: nun reden lauter alle springenden Brunnen. Und auch meine Seele ist ein springender Brunnen, dan had hij het gevoel dat zijn stem helemaal vanzelf zong.' Klopstock, Goethe, Schiller, Hölderlin, Nietzsche: Martin Walser bezong zijn liefde voor deze schrijvers al eerder - maar nooit zo ontroerend als in Ein springender Brunnen. Openlijk geeft hij toe hoeveel hij op literair gebied aan zijn vader te danken heeft. Dat wil zeggen: het is de vader van Johann die de jongen vertrouwd maakt met de schoonheid van woorden. Soms doet hij Johann een woord cadeau, dat mag hij dan in zijn woordenboom hangen. Gewoon om naar te kijken. Popocatepetl prijkt al in de boom, naast Jugendstil en Bhagawadgita, theosofie en Rabindranath Tagore. Tongbrekende formules voor een kind dat nog niet eens naar school gaat, maar ze bieden een wereld vol licht en liefde. Een tegenwereld tot de brute werkelijkheid van de nazi's.

Martin Walser veroordeelt die nazi's trouwens niet. Martin Walser veroordeelt helemaal niemand. De personages, en dat zijn er nogal wat, krijgen van hem allemaal evenveel respectvolle aandacht. De zweverige vader net zo goed als de prozaïsche moeder. De in zijn pianospel verschanste broer Josef net zo goed als Johanns stoere vriend Alfred. De ziekelijke roddelaarster Helmers Helmine evengoed als de manische vloeker Herr Seehahn. Met SS-ers, gebrandmerkt net als slaven, heeft Johann medelijden. Maar de gebrandmerkten in Auschwitz onttrekken zich aan zijn waarneming en de vluchtelingen die aan het eind van de oorlog Wasserburg binnenstromen interesseren hem alleen voor zover ze vrouw zijn en hoer. 'Johann leed niet. Hij wilde naar het front.'

Dat denkt de hoofdpersoon vlak na de soldatendood van zijn broer. En Johann, die niet voor lafaard of onderkruiper wil worden uitgemaakt, meldt zich meteen bij het leger: vrijwillig. Ook deze episode laat Walser onbekritiseerd passeren. Historici hebben de mythe van de onschuld van de Wehrmacht (versus de schuld van de SS) allang en afdoende ontkracht, maar Walser is geen historicus. Hij is een verteller die het vertikt zijn personeel van bovenaf te bekijken. Bewust kiest hij voor de beperkte visie van een jongen die niet goed is en niet slecht, een jongen die niet wil rouwen maar leven. En die alles wat zijn levenslust in de weg zit verdringt. 'Het zou vals zijn', schrijft Walser, 'om te doen alsof het verschrikkelijke hem bereikte. Het bereikte hem domweg niet.'

Walser maakt zijn vroegere Ik niet mooier dan het was en dat is moedig. Je verwerft in het links-pacifistische kamp immers weinig populariteit door doodleuk neer te pennen: 'Zijn Jungvolk-schietboek was hem heilig, hij bewaarde het in zijn geheime la.' Of: 'Ze [de granaten] lagen zo mooi en koel en glad in je hand.' Als Martin Walser ergens de pest aan heeft, dan is het aan politieke correctheid. Politieke correctheid, noteerde hij in een geruchtmakend Spiegel-artikel, is net zo hol als een biecht: je prevelt wat formules en klaar is kees. Zo kom je nooit achter de waarheid.

Oudoom

Günter de Bruyn, die ook een boek over zijn Duitse jeugd schreef, hecht wél aan politieke correctheid. Komt het onderwerp 'Wehrmacht' ter sprake, dan analyseert hij de soldaat Günter uitvoerig, waarna hij hem verontschuldigt én in verdediging neemt. Walser analyseert niet, verontschuldigt niet, verdedigt niet. En toch bevat zijn haast gezellige proza een paar verschrikkelijke passages. Zoals het verhaal over Johanns oudoom. Die nam zijn neefjes altijd mee naar een dure modezaak waar hij de mooiste kostuums voor hen betaalde. En opeens zit hij in de gevangenis, beschuldigd van het betasten van knapen. Opeens is die elegante man niet meer dan een Hundertfünfundsiebziger, het nummer van een paragraaf.

Zulke dingen komen bij Walser terloops aan de orde. Ze zijn opgenomen in Johanns warrige gedachtenstroom, en die is een belichaming van het motto: 'Niets is waar zonder zijn tegendeel.' Van elke mensensoort loopt in Wasserburg ook zijn tegenpool rond: er zijn fascisten en anti-fascisten; er zijn dialectsprekers en hoogduitssprekers; er zijn vrouwen die 'hun hoofd zo dragen alsof de zon onder hun kin moet schijnen' en vrouwen die juist zo over straat gaan 'alsof de zon in hun nek moet schijnen'. Mensen en dieren geeft Walser in zijn ark van Noach een plaats; heel Wasserburg ontrukt hij in zijn vertelling aan de vergetelheid. Niets in die vertelling is onbelangrijk. 'Het is als bij een schip, dacht Johann, daar hoort, om niet te zinken, ook alles bij elkaar, het kleinste en het grootste.'

En zo ontstond een epos vol observaties en grapjes, vol details, zijwegen en miniatuur-vertellingen: spontaan, precies en onvergetelijk.