Dirigent Bernard Haitink over de Ring, roem en ruzie; Ik ben lang niet zo beroemd als een popster

Bernard Haitink, die volgend jaar 70 wordt, wil het dirigeren nog niet missen. Hij dirigeert zes orkesten, waarmee hij een bijzondere band heeft. Zondag 20 september begint hij met Wagners Die Walküre door de Londense Royal Opera. “Ga maar eens uitleggen waar Wagner over gaat.”

Wat zou het mooi zijn als dit verhaal kon beginnen als het verhaal in The New York Times in 1964. Bernard Haitink was toen 35, net benoemd tot eerste dirigent van het Concertgebouworkest, op tournee door Amerika en de journalist - Howard Klein - schreef:

“Een fles Schotse whisky, ijsblokjes en een paar glazen staan samen op de koffietafel, naast de partituur van een Mozartsymfonie. Mijnheer Haitink, in een bruin pak, met een bruin vest en een bruine das, heeft net een telefoongesprek beëindigd met zijn vrouw, Marjolein, die in Nederland is gebleven met hun drie kinderen (twee meisjes, zes en drie, en een jongen, acht maanden) en twee honden (een Franse poedel en een Labrador)...”

Zo keurig, zo braaf. Precies wat Haitink vierendertig jaar later nog steeds oproept als je zijn hotelkamer binnenkomt - ook al staat er nu thee op tafel, ligt er een partituur van Wagner op de lessenaar en is er inmiddels een vierde mevrouw Haitink, die bovendien ter plekke aanwezig is. “Mijn man kan u nu ontvangen.”

Ze heeft haar baan als altvioliste in het orkest van The Royal Opera, Covent Garden, opgegeven om Haitink te kunnen verzorgen. (Haitink is sinds 1987 de musical director van Covent Garden.)

Dit voorjaar is Haitink aan zijn hart geopereerd en deze maand staat hij voor het eerst weer in de bak. Hij dirigeert Verdi's Don Carlos in het Festival van Edinburgh. Voor zijn rust logeert hij in het Preston Fieldhouse Hotel, een oud landhuis aan de rand van de stad. Als hij niet werkt, woont hij in Zuid-Frankrijk. (Vroeger in Bergen aan Zee, waar hij als kind zijn vakanties doorbracht.)

“Ik ben nog nooit zo lang achter elkaar vrij geweest”, zegt hij. “Ik vond het heerlijk. Ik heb meer tijd dan ooit gehad om na te denken. Er waren momenten dat ik, heel Hollands, dacht: waarom doe ik het niet wat kalmer aan? Waarom hou ik er niet gewoon mee op?”

En waarom doet u dat dan niet?

Niet bekend

Covent Garden is wegens verbouwing tweeëneenhalf jaar lang dicht en al die tijd moeten het koor en het orkest zwerven. Het bestuur vond het niet nodig om zolang iets anders te huren. Haitink is er heel kwaad om. “Men vertelt mij dat ik degene ben die de zaak nog een béétje bij elkaar houdt.”

“Ik zou”, zegt Haitink ook, “geen rustig moment meer hebben gehad als ik mijn drift had gevolgd. Hoe groter het gat van vrije tijd, hoe meer je gaat twijfelen aan waar je mee bezig bent. Maar zodra je weer in de running bent merk je dat je je alleen nog maar druk maakt over vanavond.”

En dat is prettig.

“Het geeft me een veilig gevoel. Ik zou het dirigeren eerlijk gezegd ook heel erg missen. Na de eerste repetitie voor Don Carlos belde ik mijn vrouw en ik zei: ik ben bezorgd... Zij schrok, maar ik zei: nee nee, ik wou zeggen, ik ben bezorgd dat ik het weer leuk vind.”

Waarover heeft u in Frankrijk nagedacht?

“Ach”, zegt hij, “er borrelt zoveel op. Dat zijn geen dingen die ik in woorden kan vertalen.” Iets welwillender: “Ik heb niet zoals we dat in de muziek noemen een dubbele streep achter het verleden gezet. Ik heb niet gedacht: nu ga ik het voortaan anders doen. Je kunt niet zomaar een andere weg inslaan.”

Had u werk meegenomen?

“Ik had mijn hele auto volgeladen met partituren. Ik dacht: ik neem alles mee, ook al doe ik maar de helft. Je weet nooit welke helft.”

En?

“Ik heb Wozzeck gedaan, van Alban Berg. Voor het eerst. Een heel moeilijk stuk. Maar ik wou mijn brein iets te doen geven. Ik was bang dat ik vadsig zou worden. Verder heb ik Pelléas et Mélisande van Debussy gedaan. En ik heb mijn repertoire voor het komende seizoen bekeken. Don Carlos. En de Ring - daar ben ik me nu nog steeds doorheen aan het ploegen.”

Die Walküre, uit Wagners Ring, is het eerste stuk dat Haitink dit seizoen in Amsterdam zal dirigeren, met het orkest van The Royal Opera. Om Wagners Ring te kunnen dirigeren - en zich te ontwikkelen tot een operadirigent - ging Haitink twaalf jaar geleden bij het Concertgebouworkest weg. Met ruzie, het was een scheiding. “Den Ring muss ich haben”, zei hij toen, Wotan citerend, in interviews.

Ziet u nog nieuwe dingen als u een partituur van Wagner bestudeert?

“Ik zie vooral hoe ambivalent mijn verhouding tot Wagner is. Ik kan niet loskomen van het meest grandioze moment in de Ring, in de Götterdämmerung. Het was de lievelingsmuziek van Hitler. En dan dat eindeloze dóórgaan. Ik ben de laatste jaren twee keer in Bayreuth geweest om de Ring te horen en na de laatste keer dacht ik: ik doe dit nooit en nooit weer. Vijftien uur! Ik trap alle Wagnerliefhebbers op hun ziel, maar voor mij is de enige manier om er nog doorheen te komen: zelf doen.”

En waarom dan nu Die Walküre?“Het is het meest menselijke stuk uit de Ring. Das Rheingold is een stripverhaal, de Siegfried is een raar sprookje, maar Die Walküre, met die ontluikende liefde aan het begin, en dan die acte waarin Brünnhilde aan Siegmund zijn dood voorspelt en de manier waarop hij haar naar zich laat toekomen - dat is ècht. Brünnhilde is opeens geen gepantserde Germaanse juffrouw meer. En de liefde van Wotan voor zijn dochter, zo mooi. Alleen dat wilde Walküregedoe dat je daarvóór krijgt, met dat gehojotoho, dat vind ik verschrikkelijk.”

En de Götterdämmerung?

“Dat is één grote corrupte... ja, ga dat maar eens uitleggen, waar de Götterdämmerung over gaat. Ga maar eens uitleggen waar Wagner over gaat. Ik geloof dat alleen de allergrootste schrijvers dat kunnen. Bernard Shaw.”

Thomas Mann?

“Ja! Mann! Dat is mijn lievelingsschrijver. Die heeft het allermooist over muziek geschreven. Hij is de enige die over muziek kòn schrijven. Die dorpsleraar in Dr Faustus die hij in het gemeenschapshuis laat uitleggen waarom Beethoven geen slot heeft geschreven aan zijn sonate nummer 11, zo prachtig. Niemand in dat dorp die het interesseert, aan het eind zitten er nog vier mensen in de zaal, onder wie de componist Adrian Leverkühn - ach, laat ik ophouden, ik kan dat niet navertellen.”

Hoort u de muziek als u een partituur leest?

“Meestal wel. Maar het is nog helemaal niet zo gemakkelijk om achter je bureau de hele harmonie te horen, om je al die partijen die je daar onder elkaar ziet staan tegelijkertijd voor te stellen. Ik vraag me af: kan een mens dat? Ja, het kan, want een componist heeft het opgeschreven.”

Wordt Die Walküre die u straks gaat doen anders dan de vorige?

“Het is geen Olympische wedstrijd, je probeert niet je eigen records te breken of zo. Het gaat om inzicht. Ik krijg nooit opeens radicaal andere ideeën. Het gaat net als het leven zelf: geleidelijk. Bij Die Walküre heb ik me deze keer vooral beziggehouden met de tekst. Wagner is in de eerste plaats een dichter, dat had ik me nooit zo gerealiseerd. Ik wist het wel, maar nu voel ik het ook echt. Je kunt aan zijn teksten zien dat hij op het moment dat hij ze schreef de muziek al hoorde.”

Wagner kon het dus wel.

“Wagner was geniaal. Maar in zijn brieven kun je lezen dat hij hele ochtenden op één maat kon zitten. Ik kon de goede harmonie niet vinden, schrijft hij dan. Ik heb die maat opgezocht, in de Parsifal, en dan zie je iets heel eenvoudigs. Zo moeilijk is componeren.”

Wat vindt u zo erg aan het johotoho van Die Walküre?

“Je hoort de intocht van Göring. Pompeus.”

En dat wilt u niet overbrengen.

“Je móet dat overbrengen. Dirigenten zijn tweederangsfiguren, we trekken ons op aan de genialiteit en het talent van de componist en Wagner was een meester...”

U bent nu toch zelf ook een meester? U wordt een van de grootste dirigenten van de wereld genoemd.

“Dat weet ik niet. Mensen zeggen dat ik zo bescheiden ben. Dat ben ik natuurlijk niet, anders wàs ik helemaal geen dirigent. Ik ben een realist. Ik doe mijn werk. Dirigenten die hun eigen roem in scène zetten, dat pathos van een Von Karajan, daar moet ik om lachen. Daar ben ik toch te veel Hollander voor. En ik ben ook helemaal niet zo beroemd. Lang niet zo beroemd als een popster.”

Twintig jaar geleden, u was toen bijna 50, zei u eens tegen een journalist van The Daily Telegraph dat u toen pas het gevoel had dat u genoeg ervaring en gezag had om uw werk goed te doen. Bent u nog beter geworden?

“Het is gemakkelijker geworden. Meer bagage, meer autoriteit. Ik heb bijvoorbeeld totaal geen problemen meer met musici. Dirigeren is: één tegen allen. Maar zo voel ik dat allang niet meer. Ik voel het als: één met allen. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik veel waardering ondervind. Dat is niet vanzelfsprekend in mijn vak.”

Toen u nog bij het Concertgebouworkest werkte, klaagde u over gebrek aan waardering.

“Ach, dat ligt wat ingewikkeld. Ik ben erg jong begonnen en als je ergens lang zit, gaan mensen zeggen: we willen wel eens wat anders. Ik ben tè jong begonnen. Ik zou veel dingen anders hebben gedaan als ik ouder was geweest.”

Was u eerder opera gaan doen?

“Nou, als ik het over kon doen, dan had ik graag een heel goede pianist willen zijn. Helaas heb ik tien linkervingers. Mijn ideaal zou zijn geweest om, net als Bruno Walter of Solti, zelf op de piano zangers te kunnen begeleiden. Ik moet het altijd met een repetitor doen. Ik denk: als ik pianist was geweest, dan was ik eerder tot de opera gekomen. Er zijn momenten dat het werk me heel gelukkig maakt. En zolang ik goed kan horen en het mentaal aankan, zal ik me blijven ontplooien. Muziek is voor mij de Tuin der Lusten. Het zal er wel mee te maken hebben dat ik op school helemaal niets kon en later op het conservatorium ook een totale ramp was. Pas toen ik ging dirigeren, dacht men: hé.”

U kreeg problemen met het bestuur van The London Philharmonic, later met het bestuur van het Concertgebouworkest en nu weer met het bestuur van Covent Garden. Bent u dat niet een keer spuugzat?

“Dat is één grote ellende! Ik heb het bestuur van Covent Garden proberen uit te leggen dat een operagezelschap en een orkest niet jarenlang zonder eigen gebouw kunnen. Ik zei: jullie zijn succesvolle zakenmensen, zouden jullie ooit je pand verlaten als je diezelfde dag niet een ander pand had? Er is niet naar mij geluisterd. Men luistert niet naar een muzikant. Het is precies de chaos geworden die ik voorspeld had. Maar daar ben ik niet trots op. De enigen die nog redelijk het hoofd boven water houden zijn wonderlijk genoeg de musici zelf. Heel eerlijk gezegd heb ik de achterdocht dat het expres zo geregeld is. Er is geen geld en het bestuur hoopt dat er straks gewoon geen orkest meer is, dat Covent Garden straks met een veel kleiner orkest opnieuw kan beginnen. En ik denk: als ik was weggegaan, dan was dat gelukt.”

U staat straks weer voor het Concertgebouworkest. Is dat leuk?

“Leuk, leuk - wat is dat toch een verschrikkelijk woord. Ik noem het een uitdaging. Ik moet het orkest wel weer veroveren.”

Het orkest heeft uw klank niet meer.

“Nee, maar ik breng mijn eigen klank mee. Een goede dirigent heeft binnen tien minuten zijn eigen klank weer terug.”

Waarom doet u met hen Sjostakovitsj en Mozart en geen Mahler of Bruckner?

“Mahler en Bruckner zijn voor Chailly.”